Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

roerd, zeggende: Het is een spooksel! En zij schreeuwden van vreeze.

27 Maar terstond sprak hen Jezus aan, zeggende: Zijt goedsmoeds, Ik ben het, vreest niet.

28 En Petrus antwoordde Hem, en zeide: Heere! indien Gij het zijt, zoo gebied mij tot U te komen op het water.

20 En Hij zeide: Kom. En Petrus klom neder van het schip, en wandelde op het water, om tot Jezus te komen.

30 Maar ziende den sterken wind, werd hij bevreesd, en als hij begon neder te zinken, riep hij, zeggende: Heere, behoud mij!

31 En Jezus, terstond de hand uitstekende, greep hem aan, en zeide tot hem: Gij kleingeloovige! waarom hebt gij gewankeld?

32 En als zij in het schip geklommen waren, stilde de wind.

83 Die nu in het schip waren, kwamen en aanbaden Hem, zeggende: Waarlijk, Gij zijt Gods Zoon!

ten zij en zeiden: Het is een spook! En zij schreeuwden van vrees.

27 Maar terstond sprak Jezus hen toe, zeggende: Hebt goeden moed, ik ben het, vreest niet.

28 En Petrus antwoordde hem en zeide: Heer, zijt gij het, zoo beveel mij tot u te komen op het wate i*

29 En hij zeide: Kom! En Petrus trad uit het schip, en wandelde op het water, om tot Jezus te komen.

30 Maar toen hij den sterken wind zag, verschrikte hij, en begon te zinken, en riep en zeide: Heer, help mij!

31 En Jezus strekte terstond de hand uit, greep hem, en zeide tot hem: Gij kleingeloovige, waarom twijfelt gij ?

32 En zij traden in het schip, en de wind ging liggen.

33 Zij nu, die in het schip waren, kwamen en vielen voor hem neder, en zeiden: Voorwaar, gij zijt Gods Zoon!

dat het een spook was, en schreeuwden het uit van angst.

27 Maar Jezus sprak hen dadelijk aan en zeide: Weest goedsmoeds; ik ben het; vreest niet.

28 Nu' gaf Petrus hem ten antwoord: Heer, als gij het zijt, beveel mij dan op het water tot u te komen.

29 Hij zeide: Kom. En Petrus klom uit het schip en liep op het water naar Jezus toe.

30 Maar op het zien van den wind werd hij bevreesd en kreet toen hij begon te zinken: Heer, red mij!

31 Aanstonds strekte Jezus zijn hand uit, greep hem en zeide tot hem: Kleingeloovige, waarom geweifeld ?

32 Toen zij in het vaartuig waren geklommen, ging de wind liggen.

33 En zij die in het schip waren vielen voor hem neder en zeiden: Gij zijt inderdaad, de Zoon Gods!

34 En overgevaren zijnde, kwamen zij in het land Gennésaret.

Mark. 6 : 53.

35 En als de mannen van die plaats hem werden kennende, zonden zij in dat geheele omliggende land, en brachten tot hem allen, die kwalijk gesteld waren;

36 En baden Hem, dat zij alleenlijk den zoom Zijns kleeds zouden mogen aanraken; en zoovelen als hem aanraakten, werden gezond.

34 En zij voeren over, en kwamen in het land Gennésaret.

35 En toen de lieden van die plaats hem gewaar werden, zonden zij uit in het geheele land rondom, en brachten allen die krank waren tot hem.

36 En zij baden hem, dat zij slechts den zoom zijns kleeds mochten aanraken; en allen, die hem aanraakten, werden gezond.

Mare. 6 : 45—56. Joh. 6 : 16—21.

Mare. 6 : 53—56.

34 Zij staken dan over en landden in Gennezaret.

35 En toen de lieden dier plaats inzagen wie hij was, zonden zij boden in den geheelen omtrek en brachten hem alle zieken.

36 en dezen baden hem al was het slechts den kwast van zijn kleed te mogen aanraken. En zoovelen dien aanraakten werden genezen.

De inzetting der ouden.

I c 1 Toen kwamen tot Jezus eenige Schriftgeleerden en Farizeën, die van Jeruzalem waren, zeggende: Mark. 7 : 1.

2 Waarom overtreden Uwe discipelen de inzetting der ouden? Want zij wasschen hunne handen niet, wanneer zij brood zullen eten.

3 Maar Hij, antwoordende, zeide tot hen: Waarom overtreedt ook gij het gebod Gods, door uwe inzetting ?

4 Want God heeft geboden, zeggende: Eert uwen vader en moeder, en: Wie vader of moeder vloekt, die zal den dood sterven.

Ex. 20 : 12. Deut. 5 : 16. Efez. 6 : 2. Ex. 21 : 17. Lev. 20 : 9. Spr. 20 : 20.

5 Maar gij zegt: Zoo wie tot vader of moeder zal zeggen: Het is eene gave, zoo wat u van mij zou kunnen ten nutte komen; en zijnen vader of zijne moeder geenszins zal eeren, die voldoet.

6 En gij hebt alzoo Gods gebod krachteloos gemaakt door uwe inzetting.

Mark. 7 : 13. 1 Tim. 4 : 3. 2 Tim. 3 : 2

7 Gij geveinsden! Wel heeft Jesaja van u geprofeteerd, zeggende:

8 Dit volk genaakt Mij met hunnen mond, en eert Mij met de lippen, maar hun hart houdt zicï verre van Mij;

Jes. 29 : 13. Ezec. 33 : 31. Mark. 7 : 6

Gods geboden en menschelijke inzettingen.

1 Toen kwamen tot Jezus Schriftgeleerden en Farizeën van Jeruzalem, en zeiden:

2 Waarom overtreden uwe jongeren de instellingen der ouden ? Want zij wasschen hunne handen niet, als zij brood eten.

3 Hij antwoordde en zeide tot hen: Waarom overtreedt gij dan Gods gebod door uwe instellingen?

4 God heeft geboden: „Gij zult vader en moeder eeren"; en: „Wie vader of moeder vloekt, zal den dood sterven".

5 Maar gij leert: Wie tot zijnen vader of zijne moeder zegt: „Als ik het offer, zoo is het u veel nutter", — die doet wèl. Dus zou het geschieden, dat niemand meer zijnen vader of zijne moeder eert.

6 Alzoo hebt gij Gods gebod te niet gedaan door uwe instellingen.

7 Gij huichelaars! Zeer treffend heeft Jesaja van u geprofeteerd, zeggende:

■ 8 „Dit volk genaakt mij met hun-

■ nen mond en eert mij met hunne l lippen, maar hun hart is verre

van mij.

Jes. 29 : 13.

De strijd over rein en onrein

1 Toen kwamen eenige Farizeën Bn schriftgeleerden uit Jeruzalem tot Jezus met de vraag:

2 Waarom overtreden uw leerlingen de van de ouden overgeleverde inzettingen? Want zij wasschen hun handen niet wanneer zij gaan eten.

3 Hij gaf hïm ten antwoord: Waarom overtreedt ook gij Gods gebod ter wille van uw overlevering ?

4 Want God heeft gezegd: Eer uw vader en moeder, en: Wie vader of moeder vloekt zal zeker terdoodgebracht worden.

5 Maar gij zegt: Wanneer gij tot vader of moeder zegt: Een gave is wat u van mij zou kunnen te nutte komen, hij behoeft zijn vader of moeder niet te eeren.

6 Zoo maakt gij Gods gebod krachteloos ter wille van uw overlevering.

7 Huichelaars, terecht heeft Jezaja over u geprofeteerd:

8 Dit volk eert mij met de lippen, maar hun hart is ver van mij verwijderd.

Sluiten