is toegevoegd aan uw favorieten.

Het Nieuwe Testament in zes Nederlandse vertalingen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

nv

3 En ziet, van hen werden gezien Mozes en Elias, met Hem samensprekende.

4 En Petrus, antwoordende, zeide tot Jezus: Heere! het is goed, dat wij hier zijn; zoo Gij wilt, laat ons hier drie tabernakelen maken, voor U eenen, en voor Mozes eenen, en eenen. voor Elia,s.

5 Terwijl hij nog sprak, ziet, eene luchtige wolk heeft hen overschaduwd; en ziet, eene stem uit de wolk, zeggende: Deze is Mijn geliefde Zoon, in Denwelken Ik Mijn welbehagen heb; hoort Hem!

Jes. 42 : 1. Matt. 3 : 17. Mark. 1 : 11.

Mark. 9 : 7. Luk. 3 : 22. 9 : 35. Kol. 1 : 13. 2 Petr. 1 : 17. Deut. 18 : 19.

Hand. 3 : 22.

6 En de discipelen, dit hoorende, vielen op hun aangezicht, en werden zeer bevreesd.

7 En Jezus, bij hen komende, raakte hen aan, en zeide: Staat op en vreest niet.

8 En hunne oogen opheffende, zagen zij niemand, dan Jezus alleen.

9 En als zij van den berg afkwamen, gebood hun Jezus, zeggende: Zegt niemand dit gezicht, totdat de Zoon des menschen zal opgestaan zijn uit de dooden.

Mark. 9 : 9. Luk. 9 : 36.

10 En Zijne discipelen vraagden Hem, zeggende: Wat zeggen dan de Schriftgeleerden, dat Elias eerst moet komen?

Mark. 9 : 11. Mal. 4 : 5. Matt. 11 : 14.

Mark. 9 : 11.

11 Doch Jezus, antwoordende, zeide tot hen: Elias zal wel eerst komen, en alles weder oprichten.

12 Maar Ik zeg u, dat Elias nu gekomen is, en zij hebben hem niet gekend; doch zij hebben aan hem gedaan al wat zij hebben gewild; alzoo zal ook de Zoon des menschen van hen lijden.

13 Toen verstonden de discipelen, dat Hij hun van Johannes den Dooper gesproken had.

Maanzieke knaap genezen. 14 En als zij bij de schare gekomen waren, kwam tot Hem een mensch, vallende voor Hem op de knieën, en zeggende:

Mark. 9 : 16. Luk. 9 : 37. 19 Heere! ontferm U over mijnen zoon; want hij is maanziek, en is in zwaar lijden; want menigmaal valt hij in het vuur, en menigmaal in het water.

16 En ik heb hem tot Uwe discipelen gebracht, en zij hebben hem niet kunnen genezen.

17 En Jezus, antwoordende, zeide: O ongeloovig en verkeerd geslacht, hoe lang zal Ik nog met ulieden zijn, hoe lang zal Ik u nog verdragen? Brengt hem Mij hier.

18 En Jezus bestrafte hem, en de duivel ging van hem uit, en het kind werd genezen van die ure af.

19 Toen kwamen de discipelen tot Jezus alleen en zeiden: Waarom hebben wij hem niet kunnen uitwerpen ?

Mark. 9 : 28.

20 En Jezus zeide tot hen: Om uws ongeloofs wil; want voorwaar zeg Ik u: Zoo gij een geloof hadt

3 En zie, toen verschenen hun Mozes en Elia; die spraken met hem.

4 En Petrus antwoordde en zeide tot Jezus: Heer, hier is het goed zijn; wilt gij, zoo zullen wij hier drie hutten maken, voor u een, voor Mozes een, en voor Elia een.

5 Terwijl hij nog zoo sprak, zie, toen overschaduwde hen eene lichte wolk, en zie, eene stem uit de wolk zeide: Deze is mijn geliefde Zoon, in wien Ik mijn welbehagen heb; dien zult gij hooren.

Jes. 42 : 1. Matth. 3 : 17. 2 Petr. 1 : 17.

6 En toen de jongeren dat hoorden, vielen zij op hun aangezicht en verschrikten zeer.

7 Maar Jezus trad tot hen, raakte hen aan en zeide: Staat op en vreest niet!

8 Toen zij nu hunne oogen ophieven, zagen zij niemand dan Jezus alleen.

9 En toen zij van den berg afgingen, gebood Jezus hun, zeggende: Gij zult dit gezicht aan niemand zeggen, totdat des Menschen Zoon uit de dooden is opgestaan.

10 En zijne jongeren vraagden hem en zeiden: Wat zeggen dan de Schriftgeleerden, dat Elia eerst moet komen?

Mare. 9 : 11—13. Mal. 4 : 5.

11 Doch Jezus antwoordde en zeide tot hen: Elia zal wel eerst komen, en alles terechtbrengen;

12 maar ik zeg u: Elia is alreeds gekomen, en zij hebben hem niet erkend, maar hebben aan hem gedaan wat zij wilden. Alzoo zal ook des Menschen Zoon van hen moeten lijden.

13 Toen verstonden de jongeren, dat hij van Johannes den Dooper tot hen gesproken had.

Mare. 9 : 2—9. Lnc. 9 : 28—35.

Een maanzieke knaap genezen.

14 En toen zij bij het volk kwamen, trad een mensch tot hem, en viel voor hem neder,

15 en zeide: Heer, ontferm u over mijnen zoon, want hij is maanzuchtig en heeft veel te lijden; dikwijls valt hij in het vuur, en dikwijls in het water;

16 en ik heb hem tot uwe jongeren gebracht, maar zij hebben hem niet kunnen genezen.

17 En Jezus antwoordde en zeide: O gij ongeloovig en verkeerd geslacht, hoelang zal ik u verdragen? Brengt hem mij hier.

18 En Jezus bedreigde hem; en de duivel voer van hem uit, en de jongen werd gezond van die ure af.

19 Toen traden zijne jongeren tot hem alleen, en zeiden: Waarom konden wij hem niet uitdrijven?

20 En Jezus antwoordde en zeide tot hen: Om uws ongeloofs wil; want voorwaar, ik zeg u: Zoo gij

3 en zie, hun verschenen !^ozes en Elia, in gesprek met hen.

4 Toen nam Petrus het woorc op en zeide tot Jezus: Heer, hei is goed dat wij hier zijn; indien gij het wilt, zal ik hier drie tenten maken, voor u een, voor Moffis een en voor Elia een.

5 Terwijl hij nog sprak, daar overschaduwde hen een lichtende wolk en kwam uit de wolk een stem: Dit is mijn geliefde Zoon, in wien Ik welgevallen heb. Hoort naar hem.

6 Toen de leerlingen dit hoorden, vielen zij op hun aangezicht en werden zeer bevreesd.

7 Maar Jezus kwam bij hen, raakte hen aan en zeide: Staat op en vreest niet.

8 En toen zij de oogen opsloegen, zagen zii niemand anders dan Jezus.

9 Bij het afdalen van den berg beval Jezus hun: Zegt niemand iets van dit gezicht voordat de Menschenzoon uit de dooden is opgestaan.

10 En zijn leerlingen vroegen hem: Wat zeggen dan de schriftgeleerden dat Elia vooraf komen moet?

11 Hij gaf hun ten antwoord: Elia komt wel en zal alles herstellen.

12 Maar ik zeg u dat Elia reeds gekomen is, en men heeft hem niet erkend, maar met hem gedaan alwat men goedvond. Zoo zal ook de Menschenzoon door hen lijden.

13 Nu begrepen de leerlingen dat hij tot hen over Johannes den Dooper sprak.

Kleingeloovigheid en onmacht der leerlingen

14 Toen zij bij de schare kwamen, trad op hem een mensch toe, die, op zijn knieën vallende, zeide:

15 Heer, erbarm u over mijn zoon; want hij is maanziek en lijdt zwaar; dikwijls toch valt hij in het vuur of in het water.

16 Ik heb hem bij uw leerlingen gebracht, maar die konden hem niet genezen.

17 Jezus antwoordde: O ongeloovig en ontaard geslacht, hoelang zal ik nog bij u zijn? hoelang nog u verdragen ? Breng hem mij hier.

18 En Jezus bestrafte hem, waarop de duivel van hem uitvoer; en de knaap was van dat oogenblik af genezen.

19 Toen de leerlingen met Jezus alleen waren, kwamen zij tot hem en zeiden: Waarom konden wij hem niet uitdrijven?

20 Hij zeide hun: Om uw kleingeloovigheid. Want voorwaar, ik zeg u, indien gij geloof hadt als