is toegevoegd aan uw favorieten.

Het Nieuwe Testament in zes Nederlandse vertalingen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

steen, dien de bouwlieden verworpen hebben, deze is geworden tot een hoofd des hoeks; van den Heere is dit geschied, en het is wonderlijk in onze oogen?

Ps. 118 : 22. Jes. 8 : 14. 28 : 16. Mark. 12 : 10. Luk. 20 : 17. Hand. 4 : 11.

Rom. 9 : 33. 1 Petr. 2 : 6.

43 Daarom zeg Ik ulieden, dat het Koninkrijk Gods van u zal weggenomen worden, en een volk gegeven, dat zijne vruchten voortbrengt. „ r

Ex. 32 : 10. Matt. 8 : 12. Jes. 55 : 5.

44 En wie op dezen steen valt, die zal verpletterd worden; en op wien hij valt, dien zal hij vermorzelen.

Jes 8 : 15. Zach. 12 : 3. Luk. 20 : 18.

Dan. '2 : 34.

45 En als de overpriesters en Farizeën deze Zijne gelijkenissen hoorden, verstonden zij, dat Hij van hen sprak.

Luk. 20 :19.

46 En zoekende Hem te vangen, vreesden zij de scharen, dewijl deze Hem hielden voor een Profeet.

Luk. 7 : 16. Joh. 7 : 40.

steen, dien de bouwlieden verworpen hebben, is tot een hoeksteen geworden; van den Heer is dat geschied, en het is een wonder in onze oogen"?

Ps. 118 : 22, 23.

43 Daarom zeg ik u: Het rijk Gods zal van u genomen, en aan een volk gegeven worden, dat zijne vruchten brengt.

44 [En wie op dezen steen valt, die zal verpletterd worden, en op wien hij valt, dien zal hij vermorzelen.]

lezen: De steen dien de bouwlieden hebben verworpen, die is hoeksteen geworden; vanwege den Heer is dit geschied, en het is een wonder in ons oog?

43 Daarom zeg ik u: Het Koninkrijk Gods zal u ontnomen worden en gegeven aan een volk dat de vruchten er van opbrengt.

44 En wie op dezen steen valt zal verpletterd worden, en op wien hij valt, dien zal hij vermorzelen.

45 En toen de Hoogepriesters en Parizeen zijne gelijkenissen hoorden, begrepen zij, dat hij van hen sprak.

46 En zij zochten hem te grijpen, maar zij vreesden het volk, want het hield hem voor een profeet.

Mare. 12 : 1—12. Luc. 20 : 9—19.

Jes. 5:1, 2.

45 Toen de overpriesters en de Farizeën zijn gelijkenissen hoorden, begrepen zij dat hij op hen doelde.

46 Zij zochten hem in hun macht te krijgen, maar vreesden de schare, omdat die hem voor een profeet hield.

Gelijkenis van de koninklijke bruiloft.

1 En Jezus, antwoordende, sprak 22 tot hen wederom door gelijkenissen, zeggende:

2 Het Koninkrijk der hemelen is gelijk een zeker koning^ die zijnen zoon eene bruiloft bereid had,

Luk. 14 : 16. Openb. 19 : 7.

3 En zond zijne dienstknechten uit om de genooden ter bruiloft te ' roepen; en zij wilden niet komen.

4 Wederom zond hij andere dienstknechten uit, zeggende: Zegt den genooden: Ziet, ik heb mijn middagmaal bereid; mijne ossen, en de gemeste beesten zijn geslacht, en alle dingen zijn gereed; komt tot de bruiloft.

5 Maar zij, zulks met achtende, zijn heengegaan, deze tot zijnen akker, gene tot zijne koopman¬

schap.

6 En de anderen grepen zijne dienstknechten, deden hun smaadheid aan, en doodden hen.

7 Als nu de koning dat hoorde, werd hij toornig, en zijne krijgsheiren zendende, heeft die doodslagers vernield, en hunne stad m brand gestoken.

8 Toen zeide hij tot zijne dienstknechten: De bruiloft is wel bereid, doch de genooden waren het niet waardig.

9 Daarom gaat op de uitgangen der wegen, en zoovelen als gij er zult vinden, roept ze tot de bruiloft.

10 En dezelve dienstknechten, uitgaande op de wegen, vergaderden allen, die zij vonden, beiden kwaden en goeden; en de bruiloft werd vervuld met aanzittende gasten.

11 En als de koning ingegaan was, om de aanzittende gasten te overzien, zag hij aldaar eenen mensch, niet gekleed zijnde met een bruiloftskleed;

12 En zeide tot hem: Vriend! hoe zijt gij hier ingekomen, geen bruiloftskleed aanhebbende ? En hij verstomde.

13 Toen zeide de koning tot de

Gelijkenis van het koninklijk bruiloftsmaal.

1 En Jezus antwoordde en sprak wederom door gelijkenissen tot hen,

2 zeggende: Het hemelrijk is gelijk een koning, die zijnen zoon eene bruiloft bereidde,

3 en zijne dienaren uitzond, om de gasten tot de bruiloft te roepen; maar zij wilden niet komen.

4 Wederom zond hij andere dienaren uit, en zeide: Zeg't den gasten: Ziet, mijnen maaltijd heb ik bereid, mijne ossen en mijn mestvee zijn geslacht, en alles is bereid: komt ter bruiloft!

5 Maar zij verachtten dat en gingen heen, de een op zijnen akker, de ander tot zijne hanteering;

6 en sommigen grepen zijne dienaren, deden hun smaadheid aan, en doodden hen.

7 Toen nu de koning dit hoorde, werd hij toornig, en zond zijn heir uit, en verdelgde deze moordenaars en stak hunne stad in brand.

8 Toen zeide hij tot zijne dienaren: De bruiloft is wel bereid, maar de gasten waren het niet waardig.

9 Daarom gaat heen op de straten, en noodigt tot de bruiloft wie gij vindt.

10 En de dienaren gingen uit op An c-frofon pn hmphtpn t.p zamen

UC oua,i,vii| V" ~ *- — —

wie zij vonden, kwaden en goeden; en de tafels werden alle vol.

11 Toen ging de koning naar binnen om de gasten te bezien; en hij zag aldaar een mensch, die geen bruiloftskleed aan had,

12 en zeide tot hem: Vriend, hoe zijt gij hier ingekomen, en hebt toch geen bruiloftskleed aan? En hij verstomde.

13 Toen zeide de koning tot zijne

Gelijkenis van het bruiloftsmaal.

1 Wederom sprak Jezus tot hen in gelijkenissen, aldus:

2 Het gaat met het Koninkrijk der hemelen als met een koning op aarde die voor zijn zoon een bruiloftsmaal aanrichtte

3 en zijn dienaren uitzond om de genoodigden ter bruiloft te roepen; maar zij wilden niet komen.

A. fY-n-nimiw "znnH Vivi nrirJp.rp die-

naren met de opdracht: Zegt aan de genoodigden: Zie, het maal heb ik bereid, mijn stieren en het mestvee zijn geslacht, en alles is o-prppH TTnmt tpr bruiloft.

5 Maar, zonder zich hieraan te storen, gingen zij, de een naar zijn akker, de ander naar zijn handel;

6 de overige grepen zijn dienaren, mishandelden en doodden ze.

7 Toen werd de koning vertoornd, zond zijn krijgsknechten en liet die moordenaars terdoodbrengen en hun stad in brand steken.

8 Nu zeide hij tot zijn dienaren: De bruiloft is wel bereid, maar de genoodigden waren niet waard er op te komen;

9 gaat derhalve op de kruispunten der wegen en noodigt alwie gij aantreft ter bruiloft.

10 De dienaren gingen de wegen op en brachten allen die zij aantroffen, boozen en goeden, mee; de zaal werd met gasten gevuld.

11 Toen nu de koning binnentrad om de aanliggende gasten in oogenschouw te nemen, zag hij daar een mensch die geen bruiloftskleed aanhad.

10 ttü tnt- hpm • Vriend, hoe

zijt gij hier binnengekomen zonder bruiloftskleed? En hij verstomde.

13 Toen zeide de koning tot de