is toegevoegd aan uw favorieten.

Het Nieuwe Testament in zes Nederlandse vertalingen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

steen, dien de bouwlieden verworpen hebben, is geworden tot een hoeksteen; van den Heer is dit geschied, en het is wonderlijk in onze oogen?

lezen: „De steen, die de bouwlieden hebben verworpen, Is de hoeksteen geworden; De Heer heeft het gedaan: Een wonder is het in onze ogen."

Ps. 118 (117) : 22.

steen, dien de bouwlieden afgekeurd hadden, deze is tot een hoeksteen geworden; van den Here is dit geschied, en het is wonderlijk in onze ogen?

Ps. 118 : 22, 23.

43 Daarom zeg ik u: het koninkrijk Gods zal van u worden afgenomen en gegeven aan een volk dat de vruchten daarvan opbrengt.

43 Daarom zeg Ik u: Het rijk Gods zal u ontnomen worden, en aan een volk worden gegeven, dat er de vruchten van opbrengt.

44 En wie valt op deze steen, zal worden verbrijzeld; en op wien hij valt, dien zal hij verpletteren.

43 Daarom, Ik zeg u, dat het Koninkrijk Gods van u zal weggenomen worden en, het zal gegeven worden aan een volk, dat de vruchten daarvan opbrengt.

44 [En wie op dezen steen valt, zal vermorzeld worden, en op wien hij valt, dien zal hij verpletteren.]

45 En toen de overpriesters en de Farizeën zijne gelijkenissen hoorden, begrepen zij, dat hij over hen sprak;

46 en zij zochten hem in hun macht te krijgen, maar zij waren bevreesd voor het volk, daar het hem voor een profeet hield.

De leidslieden zijn het heil niet waard.

1 En Jezus richtte zich wederom in gelijkenissen tot hen en zeide:

2 Het koninkrijk der hemelen is te vergelijken met een koning, die een bruiloft aanrichtte voor zijn zoon.

3 En hij zond zijne dienaren uit, om de ter bruiloft genooden te roepen, maar zij waren onwillig te komen.

4 Opnieuw zond hij andere dienaren met de opdracht: zegt tot de genooden: zie, mijn maaltijd heb ik gereed gemaakt, mijne ossen en mijn mestvee geslacht, en alles is gereed; komt tot de bruiloft.

5 Maar zij gingen van huis, zonder zich daaraan te storen, de een naar zijn akker, de ander naar zijn zaak;

6 de overigen echter grepen zijn dienaren aan en mishandelden en doodden hen.

7 De koning nu werd toornig; hij zond zijn legers en verdelgde die moordenaars, en hun stad stak hij in brand.

8 Daarna sprak hij tot zijne dienaren: de bruiloft was wel gereed, maar de genooden waren het niet waard;

9 gaat dan op de kruispunten der wegen; en wie gij daar ook maar aantreft, noodigt hen tot de bruiloft.

10 En die dienaren gingen uit naar de wegen, en brachten allen die zij vonden bijeen, slechten zoowel als goeden; en de bruiloftszaal werd met gasten gevuld.

11 Toen nu de koning binnen kwam, om de gasten te zien, bemerkte hij daar iemand die geen bruiloftskleed had aangetrokken.

12 En hij zeide tot hem: vriend, hoe zijt gij hier binnengekomen zonder bruiloftskleed? — Doch hij verstomde.

13 Toen zeide de koning tot zijne

45 Toen de opperpriesters en de farizeën zijn gelijkenissen hoorden, begrepen ze, dat Hij hèn had bedoeld.

46 Ze zochten zich van Hem meester te maken, maar waren bang voor het volk; want men hield Hem voor een profeet.

Mark. 12 : 1—12. Luk. 20 : 9—19.

De onwillige bruiloftsgasten.

1 Weer nam Jesus het woord, en sprak tot hen in gelijkenissen:

2 Het rijk der hemelen is gelijk aan een koning, die een bruiloftsmaal gaf voor zijn zoon.

3 En hij zond zijn dienaars uit, om de genodigden tot de bruiloft te roepen; maar ze wilden niet komen.

4 Opnieuw zond hij andere dienaars, en sprak: Zegt aan de genodigden: Ziet, ik heb mijn maaltijd gereed, mijn ossen en mestvee zijn geslacht, en alles is klaar; komt toch ter bruiloft.

5 Maar ze sloegen er geen acht op, en gingen huns weegs; de een naar zijn hoeve, de ander naar zijn zaken.

6 De overigen grepen zijn dienaars vast, mishandelden en doodden ze.

7 Toen werd de koning vergramd; hij zond zijn leger uit, doodde die moordenaars en stak hun stad in brand.

8 En hij sprak tot zijn dienaars: Het bruiloftsmaal is wel gereed, maar de genodigden verdienden het niet.

9 Gaat dus naar de kruispunten der straten, en nodigt allen ter bruiloft, die gij er vinden zult.

10 Zijn dienaars gingen de straten op, en verzamelden allen, die zij er aantroffen, slechten en goeden; en de bruiloftszaal werd met gasten gevuld.

11 Toen nu de koning binnentrad, om de aanliggende gasten te zien, zag hij een man, die geen bruiloftskleed aan had.

12 En hij sprak tot hem: Vriend, hoe zijt ge hier zonder bruiloftskleed binnengekomen ? Hij wist er geen antwoord op te geven.

13 Nu zei de koning tot zijn be-

45 En toen de overpriesters en de Farizeeën zijn gelijkenissen hadden gehoord, bemerkten zij, dat Hij hen bedoelde.

46 En hoewel zij Hem trachtten te grijpen, vreesden zij de scharen, daar die Hem voor een profeet hielden.

Mare. 12 :1—12. Luc. 20 : 9—19.

Het koninklijke bruiloftsmaal.

1 En Jezus antwoordde en sprak ^7 wederom in gelijkenissen tot hen

en zeide:

2 Het Koninkrijk der hemelen is gelijk aan een koning, die voor zijn zoon een bruiloft aanrichtte.

3 En hij zond zijn slaven uit om de ter bruiloft genodigden te roepen, doch zij wilden niet komen.

4 Wederom zond hij andere slaven uit, met de boodschap: Zegt den genodigden: Zie, ik heb mijn maaltijd bereid, mijn ossen en gemeste beesten zijn geslacht en alles is gereed; komt tot de bruiloft.

5 Maar zij sloegen er geen acht op en gingen heen, de een naar zijn akker, de ander naar zijn zaken.

6 De overigen grepen zijn slaven, en zij mishandelden en doodden hen.

7 En de koning werd toornig, en hij zond zijn legers uit en verdelgde die moordenaars en stak hun stad in brand.

8 Toen zeide hij tot zijn slaven: De bruiloft is wel gereed, maar de genodigden waren het niet waardig.

9 Gaat daarom naar de kruispunten der wegen en nodigt allen, die gij aantreft, tot de bruiloft.

10 En die slaven gingen naar de wegen en verzamelden allen, die zij aantroffen, zowel slechten als goeden. En de bruiloftszaal werd vol met hen, die aanlagen.

11 Toen de koning binnentrad om hen, die aanlagen, te overzien, zag hij daar iemand, die geen bruiloftskleed aanhad.

12 En hij zeide tot hem: Vriend, hoe zijt gij hier gekomen zonder bruiloftskleed? En hij verstomde.

13 Toen zeide de koning tot de