is toegevoegd aan uw favorieten.

Het Nieuwe Testament in zes Nederlandse vertalingen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dienaren: Bindt hem handen en voeten, en werpt hem in de uiterste duisternis; daar zal geween zijn en geknars der tanden.

dienaars: Bindt zijne handen en voeten, neemt hem weg, en werpt hem uit in de buitenste duisternis; daar zal zijn weening en knersing der tanden.

Matt. 8 : 12. 13 : 42. 24 : 51. 25 : 30.

Luk. 13 : 28.

14 Want velen zijn geroepen, maar weinigen uitverkoren.

Matt. 20 : 16.

14 Want velen zijn geroepen, maar weinigen zijn uitverkoren.

Luc. 14 : 16—24. Matth. 20 : 16.

Strikvraag over de schatting.

15 Toen gingen de Farizeën heen, en hielden te zamen raad, hoe zi] Hem verstrikken zouden in Zijne rede. Mark 12 : 13. Luk. 20 : 20.

16 En zij zonden uit tot Hem hunne discipelen, met de Herodianen, zeggende: Meester, wq weten, dat Gij waarachtig zijt en den weg Gods in der waarheid leert en naar niemand vraagt, want Gij ziet den persoon der menschen niet aan;

17 Zeg ons dan: wat dunkt U ? Is het geoorloofd, den Keizer schatting te geven of niet?

18 Maar Jezus, bekennende hunne boosheid, zeide:

Strikvraag over het belastingbetalen.

15 Toen gingen de Farizeën heen en hielden raad, hoe zij hem vangen zouden in zijne rede.

16 En zij zonden tot hem hunne jongeren met de Herodianen, en zeiden: Meester, wij weten, dat gij waarachtig zijt, en den weg Gods recht leert; en gij vraa.gt naar niemand, want gij acht het aanzien der menschen met.

17 Daarom zeg ons, wat dunkt u, is het recht, den keizer cijns te geven, of niet?

18 Toen nu Jezus hunne arglistigheid merkte, zeide hij: Gij huichelaars, wat verzoekt gij mij . Toont mij de cijnsmunt.

bedienden: Bindt hem handen en voeten en werpt hem in de buitenste duisternis; daar zal het geween en het tandengeknars zijn.

14 Want velen zijn geroepen, weinigen uitverkoren.

Twistgesprekken met de Joodsche leidslieden over het recht des keizers.

15 Toen gingen de Farizeën samen overleggen, hoe zij hem door een strikvraag zouden vangen.

-t n mi QDnio-o VllintlPr 1PRT-

J.O ZJIJ ZiVJ1J.UG.LI. tv-iiifev, _

lingen met de Herodianen op hem af, met de vraag: Meester, wij weten dat gij een oprecht mensch zijt, naar waarheid den weg Gods leert en u aan niemand stoort; want gij ziet geen mensch naar de oogen;

17 zeg ons dan: Wat denkt gij er van, is het geoorloofd den keizer belasting te betalen of niet r

18 Maar Jezus doorzag hun boozen toeleg en zeide:

19 Gii geveinsden! wat verzoekt sii Mii ? Toont mij den schattingpenning. En zij brachten Hem een

20 En ^kij zeide tot hen: Wiens is dit beeld en opschrift?

21 Zij zeiden tot Hem: Des Kei zers. Toen zeide Hij tot hen: Geeft dan den Keizer, dat des Keizers is, en Gode, dat Gods is.

Matt. 17 : 25. Eom. 13 : 7.

22 En zij, dit hoorende, verwonderden zich, en Hem verlatende, zijn zij weggegaan.

De Sadduceën en de opstanding.

23 Te dienzelfden dage kwamen tot Hem de Sadduceën, die zeggen, dat er geene opstanding is,

en vraagden Hem,

Mark. 12 : 18. Luk. 20 : 27 Hand. 23 8.

24 Zeggende: Meester Mozes heeft gezegd: Indien iemand sterft, geene kinderen hebbende, zoo zal ziin broeder deszelfs vrouw trouwen, en zijnen broeder zaad ver-

, TlPllt. 25 • O-

25 Nu waren er bij ons zeven broeders; en de eerste eene vrouw getrouwd hebbende, stierf, en de wijl hij geen zaad had, zoo liet hij zijne vrouw voor zijnen broeder.

26 Desgelijks ook de tweede, en de derde, tot den zevenden toe.

27 Ten laatste na allen, is ook de vrouw gestorven.

28 In de opstanding dan, wiens vrouw zal zij wezen van die zeven? want zij hebben ze allen

29*Maar Jezus antwoordde en zeide tot hen: Gij dwaalt, met wetende de Schriften, noch de kracht Gods.

30 Want in de opstanding nemen zij niet ten huwelijk, noch worden ten huwelijk uitgegeven; maar zij zijn als engelen Gods in den hemel. 1 Joh- 3 : 2-

19 En zij reikten hem een penning.

20 En hij zeide tot hen: Wiens is dat beeld en het opschrift?

21 Zij zeiden tot hem: Des keizers. Toen zeide hij tot hen: Geeft dan den keizer wat des keizers is, en Gode wat Gods is.

22 En toen zij dat hoorden, verwonderden zij zich; en zij verheten hem en gingen heen

ïviarc. ït ■ —A«- ~ ' o . c

Mare. 3 : 6.

Twistgesprek over de

23 Op dienzelfden dag traden tot hem de Sadduceën, die zeggen dat er p-een opstanding is, en vraagden hem, zeggende:

24 Meester! Mozes heeft gezegd. Zoo iemand sterft en geen kinderen heeft, dan zal zijn broeder diens vrouw trouwen en zal zijnen broeder kroost verwekken^ ^ _ .

25 Nu zijn er bij ons zeven broeders geweest; de eerste trouwde, en stierf, en dewijl hij geen kroost had, zoo liet hij zijne vrouw aan zijnen broeder na. ,

26 Desgelijks de tweede, en de derde, tot den zevenden toe.

19 Huichelaars, wat stelt gij mij op de proef? Laat mij de belastingmunt zien. Zij brachten hem een zilverling.

20 En hij zeide: Wie is dat? Hoe luidt het opschrift? .

21 Zij zeiden: Dat is de keizer. Toen zeide hij tot hen: Geeft dan den keizer wat den keizer toekomt, en aan God wat Gode toe-

22 Toen zij dit hoorden, verwonderden zij zich, verlieten hem en gingen heen.

27 Ten laatste na allen stierf ook de vrouw.

28 Nu, in de opstanding, wiens vrouw zal zij zijn van die zeven. Zij hebben haar immers allen ge-

29dMaar Jezus antwoordde en zeide tot hen: Gij dwaalt, en kent de Schrift niet, noch de kracht Gods.

30 In de opstanding zullen zij niet trouwen noch ten huwelijk uitgegeven worden, maar zij zijn gelijk de Engelen Gods in den hemel.

Over opstanding uit de dooden. 23 Op denzelfden dag kwamen Sadduceën tot hem, die de opstanding loochenen, en vroegen hem.

24 Meester, Mozes heeft gezegd. Als iemand kinderloos sterft, dan moet zijn broeder met diens vrouw het zwagerhuwelijk sluiten en voor zijn broeder nakomelingen verwekken.

25 Nu waren bij ons zeven broeders; de eerste huwde en stieri, daar hij geen kinderen had, liet hij dus zijn vrouw voor zijn broeder na; , ,

26 zoo ging het ook met den tweeden, den derden en alle zeven.

27 Ten laatste stierf ook de

vruuw. .

28 In de opstanding nu, vanwien dier zeven zal zij dan de VI-o™' zijn? Zij allen toch hebben haar

29 Jezus gaf hun ten antwoord: Gii dwaalt; daar gij noch de Schriften noch Gods kracht kent.

30 Want in de opstanding huwen zii niet en worden zij niet uitgehuwelijkt, maar zijn als engelen in den hemel.