Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

20 Wie dan bij het altaar zweert, die zweert daarbij en bij al wat daarop ligt;

21 en wie bij den tempel zweert, die zweert daarbij en bij hem die daarin woont;

22 en wie bij den hemel zweert, die zweert bij den troon van God en bij hem die daarop zit.

20 Wie dus zweert bij het altaar, zweert bij dit en bij al wat er op ligt.

21 En wie zweert bij de tempel, zweert bij deze en bij Hem, die er in woont.

22 En wie zweert bij de hemel, zweert bij Gods troon, en bij Hem, die erop is gezeten.

20 Wie dus gezworen heeft bij het altaar, zweert daarbij en bij alles, wat er op ligt.

21 En wie gezworen heeft bij den tempel, zweert daarbij en bij Hem, die er in woont.

22 En wie gezworen heeft bij den hemel, zweert bij den troon Gods en bij Hem, die daarop gezeten is.

23 Wee u, schriftgeleerden en Farizeën, gij geveinsden! want van munt en dille en komijn brengt gij tienden en het zwaardere der wet laat gij liggen: recht, barmhartigheid en goede trouw. Dit moest gij beoefenen en het andere niet nalaten —-

24 gij blinde leidslieden, die de mug uitzeeft doch den kemel doorzwelgt.

25 Wee u, schriftgeleerden en Farizeën, gij geveinsden! want beker en schotel reinigt gij van buiten, maar van binnen zijn zij van roof en baatzucht gevuld.

26 Gij blinde Farizeër, maak eerst rein wat binnen in den beker is, dan zal hij ook rein zijn van buiten.

27 Wee u, schriftgeleerden en Farizeën, gij geveinsden! want gij zijt witgepleisterde graven gelijk, die van buiten wel schoon schijnen, maar van binnen vol doodsbeenderen zijn en allerlei onreinheid;

28 zoo schijnt ook gij den menschen uiterlijk wel trouw aan de wet, maar van binnen zijt gij vol huichelarij en zonde.

29 Wee u, schriftgeleerden en Farizeën, gij geveinsden! want gij bouwt de graven der profeten en versiert de gedenkteekenen der vromen;

30 en gij zegt: indien wij in de dagen onzer vaderen geleefd hadden, wij hadden niet met hen meegedaan, het bloed der profeten te storten.

31 Daarmede geeft gij uzelf getuigenis, dat gij kinderen zijt van hen die de profeten hebben vermoord.

32 Gij, maakt ook gij de maat uwer vaderen vol!

Schuld en straf over de leidsleidslieden en over Jeruzalem.

33 Gij slangen! gij adderengebroed! hoe zoudt gij ontkomen aan het hellegericht ?

34 Daarom, zie, ik zend tot u profeten en wijzen en schriftgeleerden: sommigen van hen zult gij dooden en aan het kruis slaan, en anderen zult gij geeselen in uwe synagogen en hen vervolgen van stad tot stad;

23 Wee u, schriftgeleerden en farizeën; gij huichelaars, die tienden betaalt van muntkruid, anijs en komijn; maar die nalatig zijt in het voornaamste deel van de wet: rechtvaardigheid, barmhartigheid en goede trouw. Dit moet men doen, en het andere niet laten.

24 Blinde leidslieden, die de mug uitzeeft, maar de kameel doorslokt.

25 Wee u, schriftgeleerden en farizeën; gij huichelaars, die de beker en de schotel van buiten reinigt, terwijl ze van binnen vol schraapzucht en onmatigheid zijn.

26 Blinde farizeën; reinigt eerst de beker en de schotel van binnen, opdat ook de buitenkant rein moge worden.

27 Wee u, schriftgeleerden en farizeën; gij huichelaars. Want gij zijt gelijk aan witgepleisterde graven, die van buiten wel mooi zijn, maar van binnen vol doodsbeenderen en allerlei vuil.

28 Zo schijnt ook gij van buiten rechtvaardig voor het oog van de mensen, maar van binnen zijt gij vol huichelarij en ongerechtigheid.

29 Wee u, schriftgeleerden en farizeën; gij huichelaars, die grafsteden bouwt voor de profeten, de gedenktekens der rechtvaardigen versiert,

30 en zegt: Zo wij hadden geleefd in de dagen onzer vaderen, dan zouden wij met hen geen deel hebben gehad aan de moord der profeten.

31 Gij getuigt dus tegen uzelf, dat gij zonen zijt van de moordenaars der profeten.

32 Welnu dan, maakt de maat uwer vaderen maar vol.

33 Slangen, adderengebroed, hoe zult gij de helse verdoemenis ontkomen ?

34 Ziet, daarom zend Ik tot u profeten en wijzen en schriftgeleerden. Sommigen van hen zult gij doden en kruisigen, anderen geselen in uw synagogen, en van stad tot stad achtervolgen,

23 Wee u, schriftgeleerden en Farizeeën, gij geveinsden, want gij geeft tienden van de munt, de dille en de komijn en gij hebt het gewichtigste van de wet verwaarloosd: het oordeel en de barmhartigheid en de trouw. Dit moest men doen en het andere niet nalaten.

24 Gij blinde wegwijzers, die de mug uitzift, maar den kameel doorzwelgt.

25 Wee u, schriftgeleerden en Farizeeën, gij geveinsden, want gij reinigt de buitenzijde van den beker en van den schotel, maar van binnen zijn zij vol roof en onmatigheid.

26 Gij blinde Farizeeër, reinig den inhoud van den beker, dan zal hij ook van buiten rein worden.

27 Wee u, schriftgeleerden en Farizeeën, gij geveinsden, want gij gelijkt op gewitte graven, die van buiten wel schoon schijnen, maar van binnen vol zijn van doodsbeenderen en allerlei onreinheid.

28 Zo ook gij, van buiten schijnt gij den mensen wel rechtvaardig, doch van binnen zijt gij vol geveinsdheid en wetsverachting.

29 Wee u, schriftgeleerden en Farizeeën, gij geveinsden, want gij richt de grafstenen der profeten op en verfraait de gedenktekenen der rechtvaardigen,

30 en gij zegt: Indien wij geleefd hadden in de dagen onzer vaderen, zouden wij met hen geen gemene zaak gemaakt hebben, ten opzichte van het bloed der profeten.

31 Gij getuigt dus van uzelven, dat gij zonen zijt van de moordenaars der profeten.

32 Maakt ook gij de maat uwer vaderen vol!

33 Slangen, adderengebroed, hoe zult gij ontkomen aan het oordeel der hel?

34 Daarom, zie, Ik zend u profeten en wijzen en schriftgeleerden. Van hen zult gij sommigen doden en kruisigen en van hen zult gij anderen geselen in uw synagogen en vervolgen van stad tot stad,

35 opdat over u kome al het bloed, dat onschuldig op aarde vergoten werd, van het bloed van

35 opdat al het onschuldige bloed, dat op aarde is vergoten, over u moge komen: van het bloed van

35 opdat over u kome al het rechtvaardige bloed, dat vergoten werd op de aarde, van het bloed

Sluiten