Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

3 Toen daarop Judas, die hem had overgeleverd, zag, dat hij veroordeeld was, kreeg hij berouw; en hij bracht de dertig zilverstukken bij de overpriesters en d« oudsten terug,

4 en zeide: Ik heb gezondigd dooi onschuldig bloed te verraden Doch zij zeiden: Wat gaat ons dat aan? dat moet gij zelf weten.

5 Hij nu wierp het geld in den tempel, haastte zich weg, en verhing zich.

6 De overpriesters echter namen het geld en zeiden: Het is niet geoorloofd, dat in de offerkist te storten, omdat het bloedgeld is.

7 En na te hebben overlegd, kochten zij daarvoor het pottenbakkersveld, tot een begraafplaats voor vreemdelingen.

8 (Daarom kreeg dat stuk grond den naam van Bloedveld, tot op den huidigen dag.)

9 Toen is in vervulling gegaan hetgeen gesproken is door Jeremia, den profeet: En ik nam de dertig zilverstukken (den schattingsprijs van den geschatte, dien zij zoo geschat hadden)

10 van de kinderen Israëls; en ik gaf ze voor het pottenbakkersveld, gelijk de Heer mij had opgedragen.

Jezus voor Pilatus als de onschuldige.

11 Jezus nu was gebracht voor den landvoogd; en deze ondervraagde hem, en zeide: Zijt gij de koning der Joden? Jezus zeide: Gij spreekt het uit.

12 Doch toen hij door de overpriesters en de oudsten beschuldigd werd, gaf hij geen antwoord.

13 Toen zeide Pilatus tot hem: Hoort gij niet, hoevele getuigenissen zij tegen u afleggen?

14 Maar hij antwoordde hem niet op een enkele beschuldiging, zoodat de landvoogd zich zeer verwonderde.

15 En op het feest was de landvoogd gewoon, voor het volk één gevangene los te laten, dien zij mochten kiezen.

16 Nu hadden zij op dat oogenblik een bekend gevangene, Barabbas genaamd.

17 En daar zij nu toch bijeen waren, vroeg Pilatus hen: Wien wilt gij dat ik u loslaat? Barabbas of Jezus, die genoemd wordt Christus?

18 Hij wist namelijkk dat zij Jezus uit afgunst hadden overgeleverd.

19 Terwijl hij nu op den rechterstoel gezeten was, zond zijne vrouw tot hem de boodschap: Laat u toch niet in met dien rechtvaardige, want om zijnentwil heb ik heden in den droom veel geleden.

Het einde van Judas. 3 Toen zag Judas, die Hem ver■ raden had, dat Hij veroordeeld was; hij kreeg spijt, bracht de dertig zilverlingen aan de opper: priesters en oudsten terug,

1 4 en zeide: Ik heb gezondigd, door onschuldig bloed te verraden. Maar ze zeiden: Wat gaat ons dat aan ? Dat moet ge zelf maar weten.

5 Doch hij wierp de zilverlingen in de tempel, vluchtte weg, en ging zich verhangen.

6 De opperpriesters raapten de zilverlingen bijeen, en zeiden: Het is niet geoorloofd, ze in de schatkist te werpen, omdat het een bloedprijs is.

7 En ze besloten, daarvoor de akker van den pottenbakker te kopen als een begraafplaats voor de vreemdelingen.

8 Daarom wordt die akker tot op de dag van heden Bloedakker genoemd.

9 Toen werd vervuld, wat de profeet had gezegd: „En ze namen de dertig zilverlingen, de prijs, waarop de kinderen van Israël Mij hebben geschat;

Zak. li : 13.

10 en zij gaven ze voor de akker van den pottenbakker, zoals de Heer mij bevolen heeft."

Door Pilatus veroordeeld en gegeseld.

11 En toen Jesus voor den landvoogd stond, ondervroeg Hem de landvoogd en sprak: Zijt Gij de Koning der Joden? Jesus zeide hem: Ge zegt het.

12 Maar toen Hij beschuldigd werd door de opperpriesters en oudsten, antwoordde Hij niets.

13 Daarom sprak Pilatus tot Hem: Hoort Gij niet, wat zware beschuldigingen ze tegen U inbrengen ?

14 Maar Hij antwoordde hem op geen enkele beschuldiging, zodat het den landvoogd erg verbaasde.

15 Nu was de landvoogd gewoon, op de feestdagen een gevangene vrij te laten, naar keuze van het volk.

16 Men had toen een beruchten gevangene, Barabbas genaamd.

17 Daar ze nu toch bijeen waren, sprak Pilatus hen toe: Wien wilt gij, dat ik u vrijlaat, Barabbas of Jesus, die Christus genoemd wordt ?

18 Want hij begreep, dat ze Hem uit afgunst hadden overgeleverd.

19 Terwijl hij daar op de rechterstoel zat, liet zijn vrouw hem zeggen: Vergrijp u niet aan dezen rechtvaardige; want ik h'eb heden in een droom veel om hem geleden.

3 Toen kreeg Judas, die Hem verraden had, berouw, daar hij zag, dat Hij veroordeeld was, en hij bracht de dertig zilverlingen aan de overpriesters en oudsten terug, en hij sprak:

4 Ik heb gezondigd, onschuldig bloed verraden! Maar zij zeiden: Wat gaat ons dit aan? Gij moet zelf maar zien wat er van komt!

5 En de zilverlingen in den tempel werpende, verwijderde hij zich; daarop ging hij heen en verhing zich.

6 De overpriesters namen de zilverlingen en zeiden: Wij mogen die niet in de offerkist doen, want het is bloedgeld.

7 En zij namen het besluit daarvoor het land van den pottenbakker te kopen als begraafplaats voor de vreemdelingen.

8 Daarom heet dat land bloedakker, tot heden toe

9 Toen werd vervuld hetgeen gesproken is door den profeet Jeremia, toen hij zeide: En zij namen de dertig zilverlingen, de geschatte waarde van den geschatte, dien zij geschat hadden van de zonen Israëls,

10 en gaven die voor het land van den pottenbakker, gelijk de Here mij had opgedragen.

Zach. 11 : 12, 13.

De veroordeling.

11 Jezus dan werd voor den stadhouder gesteld. En de stadhouder ondervroeg Hem en zeide: Zijt Gij de koning der Joden? Jezus zeide: Gij zegt het.

12 En op de beschuldiging, die de overpriesters en, oudsten tegen Hem inbrachten, antwoordde Hij niets.

13 Toen zeide Pilatus tot Hem: Hoort Gij niet, hoeveel zij tegen U getuigen?

14 En hij antwoordde hem op geen enkele vraag, zodat de stadhouder zich verwonderde.

15 Nu was de stadhouder bij elk feest gewoon een gevangene, ter keuze van de schare, los te laten.

16 Zij hadden toen een berucht gevangene, genaamd Barabbas.

17 Daar zij nu toch bijeen waren, zeide Pilatus tot hen: Wien wilt gij, dat ik u zal loslaten, Barabbas of Jezus, die Christus genoemd wordt?

18 Want hij wist, dat zij Hem uit nijd hadden overgeleverd.

19 Terwijl hij nu op den rechterstoel zat, zond zijn vrouw hem de boodschap: Bemoei u toch niet met dien rechtvaardige, want ik heb heden in een droom veel om Hem geleden.

j onscnuiaig Dioed te verraden. ( Doch zij zeiden: Wat gaat ons dat ! aan? dat moet gij zelf weten.

j 5 Hij nu wierp het geld in den I tempel, haastte zich weg, en verI hing zich.

6 De overpriesters echter namen het geld en zeiden: Het is niet ge; oorloofd, dat in de offerkist te

! 10 van de kinderen Israëls; en ik 10 en zij gaven ze voor de akker 10 en gaven die voor het land van

: gaf ze voor het pottenbakkers- van den pottenbakker, zoals de den pottenbakker, gelijk de Here

■ veld, gelijk de Heer mij had opge- Heer mij 'bevolen heeft." mij had opgedragen.

I dragen. Zach. ll : 12, 13.

Jezus voor Pilatus als de onschuldige. \ 11 Jezus nu was gebracht voor ' den landvoogd; en deze ondervraagde hem, en zeide: Zijt gij de koning der Joden? Jezus zeide: Gij spreekt het uit.

Sluiten