is toegevoegd aan uw favorieten.

Het Nieuwe Testament in zes Nederlandse vertalingen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zaten met Jezus en Zijne discipelen; want zij waren velen, en waren Hem gevolgd.

16 En de Schriftgeleerden en de Farizeën, ziende Hem eten met de tollenaren en zondaren, zeiden tot Zijne discipelen: Wat is het, dat Hij met de tollenaren en zondaren eet en drinkt?

17 En Jezus, dat hoorende, zeide tot hen: Die gezond zijn, hebben den medicijnmeester niet van noode, maar die. ziek zijn. Ik ben niet gekomen, om te roepen rechtvaardigen, maar zondaars tot bekeering.

Matt. 9 : 13. 21 : 31. Luk. 5 : 32. 19 : 10.

1 Tim. 1 : 15.

Het vasten.

18 En de discipelen van Johannes en der Farizeën vastten; en zij kwamen en zeiden tot Hem: Waarom vasten de discipelen van Johannes en der Farizeën, en Uwe discipelen vasten niet?

Matt. 9 : 14. Luk. 5 : 33.

Jezus en zijne jongeren aan tafel zetten; want er waren velen, die hem volgden.

16 En toen de Schriftgeleerden en Farizeën hem met de tollenaren en zondaren zagen eten, zeiden zij tot zijne jongeren: Waarom eet en drinkt hij met de tollenaren en zondaren ?

17 Toen nu Jezus dat hoorde, zeide hij tot hen: De gezonden behoeven den geneesmeester niet, maar de kranken. Ik ben niet gekomen om rechtvaardigen maar om zondaars te roepen.

Matth. 9 : 9—13. Luc. 5 : 27—32.

Waarom, vasten? 18 En de jongeren van Johannes en van de Farizeën vastten veel; en er kwamen eenigen, die tot hem zeiden: Waarom vasten de jongeren van Johannes en van de Farizeën, en vasten uwe jongeren niet ?

aanlagen — want die waren talrijk en volgden hem —

16 zagen de schriftgeleerden der Farizeën dat hij met de tollenaren en zondaren at, en zeiden zij tot zijn leerlingen: Eet en drinkt hij met de tollenaren en zondaren?

17 En Jezus hoorde dit en zeide tot hen: De gezonden behoeven geen geneesheer, maar de zieken; ik ben niet gekomen om rechtschapenen maar om zondaren te roepen.

18 De leerlingen van Johannes en de Farizeën hielden eens vasten, en men kwam tot hem met de vraag: Waarom vasten de leerlingen van Johannes en die der Farizeën wel en de uwe niet?

19 En Jezus zeide tot hen: Kunnen ook de bruiloftskinderen vasten, terwijl de Bruidegom bij hen is ? Zoo langen tijd zij den Bruidegom bij zich hebben, kunnen zij niet vasten.

Jes. 62 : 5. 2 Kor. 11 : 2.

20 Maar de dageoi zullen komen, wanneer de Bruidegom van hen zal weggenomen zijn, en alsdan zullen zij vasten in dezelve dagen.

21 En niemand naait eenen lap ongevold laken op een oud kleed; anders scheurt deszelfs nieuwe aangenaaide lap iets af van het oude kleed, en er wordt eene ergere scheur.

22 En niemand doet nieuwe wijn in oude lederzakken; anders doet de nieuwe wijn de lederzakken bersten en de wijn wordt uitgestort, en de lederzakken verderven; maar nieuwen wijn moet men in nieuwe lederzakken doen.

Matt. 9 : 17.

19 En Jezus zeide tot hen: Hoe kunnen de bruiloftslieden vasten, terwijl de bruidegom bij hen is? Zoolang de bruidegom bij hen is kunnen zij niet vasten;

20 maar de tijd zal komen, dat de bruidegom van hen zal genomen worden; dan zullen zij vasten.

21 Niemand zet een lap van een nieuwe doek op een oud kleed; want de nieuwe lap scheurt toch af van het oude, en de scheur wordt erger.

22 En niemand doet jongen wijn in oude lederen zakken; anders doet de wijn de lederen zakken scheuren, en de wijn wordt uitgestort, en de lederen zakken verderven; maar men moet den jongen wijn in nieuwe lederen zakken doen.

Matth. 9 : 14—17. Luc. 5 : 33—38.

19 En Jezus zeide tot hen: De bruiloftsgasten kunnen toch niet vasten terwijl de bruidegom bij hen is ? Zoolang zij den bruidegom bij zich hebben kunnen zij niet vasten.

20 De dagen komen dat de bruidegom van hen weggenomen is; dan zullen zij vasten — op dien dag.

21 Niemand naait een lap van ongevolde stof op een oud kleed; anders trekt het nieuwe ingezette stuk iets af van het oude en wordt de scheur erger.

22 Ook giet niemand jongen wijn in oude zakken; anders scheurt de wijn de zakken en gaan wijn en zakken te loor. Neen, jongen wijn giet men in nieuwe zakken.

Jezus en de sabbat.

23 En het geschiedde, dat Hij op eenen sabbatdag door het gezaaide ging, en Zijne discipelen begonnen, al gaande, aren te plukken.

Deut. 23 : 25. Matt. 12 : 1. Luk. 6 : 1.

24 En de Farizeën zeiden tot Hem: Zie, waarom doen zij op den sabbatdag, wat niet geoorloofd jg ? Ex. 20 : 10.

25 En Hij zeide tot hen: Hebt gij nooit gelezen, wat David gedaan heeft, als hij nood had, en hem hongerde, en dengenen, die met hem waren ? l Sam. 21 : 6.

26 Hoe hij ingegaan is in het huis Gods, ten tijde van Abjathar, den hoogepriester, en de toonbrooden gegeten heeft, die niemand zijn geoorloofd te eten, dan den priesteren, en ook gegeven heeft dengenen, die met hem waren?

Lev. 24 : 9.

27 En Hij zeide tot hen: De sabbat is gemaakt om den mensch, niet de mensch om den sabbat.

28 Zoo is dan de Zoon des menschen een Heere ook van den sabbat.

Matt. 12 : 8. Luk. 6 : 5.

Jezus en de Sabbat.

23 En het geschiedde, toen hij op een sabbat door het koren wandelde, dat zijne jongeren begonnen, al gaande, aren uit te plukken.

24 En de Farizeën zeiden tot hem: Zie, waarom doen zij op den sabbat hetgeen niet betamelijk is?

25 En hij zeide tot hen: Hebt gij nooit gelezen wat David deed, toen hij in nood verkeerde en hem hongerde en dengenen, die bij hem waren;

26 hoe hij in het huis Gods ging, ten tijde van Abjathar, den Hoogepriester, en de toonbrooden at, die niemand mocht eten dan de priesters, en ze ook gaf aan degenen, die bij hem waren?

27 En hij zeide tot hen: De sabbat is om des menschen wil gemaakt, niet de mensch om des sabbats wil.

28 Zoo is dan des Menschen Zoon een Heer ook van den sabbat.

Matth. 12 : 1—8. Luc. 6 : 1—5.

1 Sam. 21 : 6.

23 Eens ging hij op een sabbat door een koornveld en begonnen zijn leerlingen zich een pad te banen door aren uit te trekken.

24 Toen zeiden de Farizeën tot hem: Zie, zij doen op sabbat iets dat niet geoorloofd is.

25 En hij zeide tot hen: Hebt gij nooit gelezen, wat David deed toen hij in nood was en hij en zijn metgezellen honger hadden?

26 Hoe hij in het godshuis ging, ten tijde van den hoogepriester Abjathar, en van het toonbrood at, dat alleen door de priesters mag gegeten worden, en daarvan ook gaf aan hen die bij hem waren?

27 Ook zeide hij tot hen: De sabbat is gemaakt voor den mensch, niet de mensch voor den sabbat.

28 Daarom is de Menschenzoon heer ook van den sabbat.