Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

18 En Andréas, en Filippus, en Bartholoméüs, en Matthéüs, en Thomas, en Jakobus, den zoon van Alféüs, en Thaddéüs, en Simon Kananites,

19 En Judas Iskariot, die Hem ook verraden heeft.

Godslastering der Schriftgeleerden.

20 En zij kwamen in huis; en daar vergaderde wederom eene schare, alzoo dat zij ook zelfs niat konden brood eten.

Mark. 6 : 31.

21 En als degenen, die Hem bestonden, dit hoorden, gingen zij uit, om Hem vast te houden; want zij zeiden: Hij is buiten Zijne zinnen.

22 En de Schriftgeleerden, die van Jeruzalem afgekomen waren, zeiden: Hij heeft Beëlzebul, en door den overste der duivelen werpt Hij de duivelen uit.

Matt. 9 : 34. 12 : 24. Luk. 11 : 15.

Joh. 8 : 48.

23 En hen tot Zich geroepen hebbende, zeide Hij tot hen in gelijkenissen: Hoe kan de Satan den Satan uitwerpen?

Matt. 12 : 25.

24 En indien een koninkrijk tegen zichzelf verdeeld is, zoo kan dat koninkrijk niet bestaan.

25 En indien een huis tegen zichzelf verdeeld is, zoo kan dat huis niet bestaan.

26 En indien de Satan tegen zichzelven opstaat, en verdeeld is, zoo kan hij niet bestaan, maar heeft een einde.

27 Er kan niemand in het huis eens sterken ingaan en zijne vaten ontrooven, indien hij niet eerst den sterke bindt; en alsdan zal hij zijn huis berooven.

Matt. 12 : 29. Kol. 2 : 15.

18 en Andréas, en Filippus, en Bartholoméüs, en Matthéüs, en Thomas, en Jakobus, den zoon van Alfeüs, en Thaddéüs, en Simon van Kana,

19 en Judas Iskariot, die hem verried.

Luc.6:12—16. Matth.lO:l—5. Luc.9:l,2. Het oordeel der bloedverwanten en der Schriftgeleerden.

20 En zij kwamen te huis; en toen kwam wederom het volk te zamen, zoodat zij zelfs geen brood konden eten.

21 En toen zijne nabestaanden dit hoorden, gingen zij uit en wilden hem vasthouden; want zij zeiden: Hij is uitzinnig.

22 En de Schriftgeleerden, die van Jeruzalem afgekomen waren, zeiden: Hij heeft Beëlzebub, en door den overste der duivelen drijft hij de duivelen uit.

23 En hij riep hen te zamen, en zeide tot hen in gelijkenissen: Hoe kan de eene satan den anderen uitdrijven ?

24 Indien een rijk met zichzelf oneens wordt, zoo kan het niet bestaan;

25 en indien een huis met zichzelf oneens wordt, zoo kan het niet bestaan.

26 Staat nu de satan tegen zichzelven op, en is hij met zichzelven oneens, zoo kan hij niet bestaan, maar het is uit met hem.

27 Niemand kan in het huis eens sterken ingaan en diens huisraad rooven, tenzij hij te voren den sterke binde en alsdan zijn huis beroove.

18 Andréas, Filippus, Bartholoméüs, Matthéüs, Thomas, Jacobus den zoon van Alfeüs, Thaddéüs, Simon den Kananeër,

19 en Judas Iskariot, die hem overgeleverd heeft.

De ware verwantschap. 20 Toen hij in huis ging, liep weer een zoo groote menigte samen dat zij zelfs niet konden eten.

21 En toen de zijnen het hoorden, gingen zij heen om hem vast te houden; want zij zeiden: Hij is waanzinnig.

22 Maar de schriftgeleerden die van Jeruzalem waren gekomen zeiden: Hij heeft Beëlzebul in zich en werpt door den overste der duivelen duivelen uit.

23 Hij riep hen tot zich en zeide hun bij wijze van een gelijkenis: Hoe kan Satan Satan uitwerpen?

24 Indien toch een koninkrijk in strijd is met zichzelf, dan kan dat koninkrijk niet instandblijven.

25 En indien een huis met zichzelf in strijd is, dan kan dat huis niet instandblijven.

26 En staat de Satan tegen zichzelf op en is hij in tweespalt, dan kan hij niet blijven bestaan, maar neemt een einde.

27 Maar niemand kan in het huis van een sterken man binnenkomen en zijn huisraad rooven, tenzij hij eerst den sterke bindt. Dan eerst kan hij diens huis plunderen.

28 Voorwaar, Ik zeg u, dat al de zonden den kinderen der menschen zullen vergeven worden, en allerlei lasteringen, waarmede zij zullen gelasterd hebben;

1 Sam. 2 : 25. Matt. 12 : 31. Luk. 12 : 10 1 Joh. 5 : 16.

29 Maar zoo wie galasterd zal hebben tegen den Heiligen Geest, die heeft geene vergeving in der eeuwigheid, maar hij is schuldig des eeuwigen oordeels.

1 Joh. 5 : 16.

30 Want zij zeiden: Hij heeft eenen onreinen geest.

28 Voorwaar, ik zeg u: Alle zonden zullen den menschenkinderen vergeven worden, ook de lasteringen, waarmede zij gelasterd hebben:

29 maar wie den Heiligen Geest lastert, die heeft geen vergeving eeuwiglijk, maar is schuldig voor het eeuwige oordeel.

30 Want zij zeiden: Hij heeft een onreinen geest.

28 Voorwaar, ik zeg u, alles zal den menschenkinderen vergeven worden, elke zonde en welke godslastering zij ook uitspreken;

29 maar als iemand den Heiligen Geest lastert, die verkrijgt in deieeuwigheid geen vergiffenis, maar staat schuldig aan een eeuwige zonde.

30 Want zij zeiden: Hij heeft een onreinen geest.

31 Zoo kwamen dan Zijne broeders en Zijne moeder; en buiten staande, zonden zij tot Hem, en riepen Hem.

Matt. 12 : 46. Luk. 8 : 19.

32 En de schare zat rondom Hem; en zij zeiden tot Hem: Zie, Uwe moeder en Uwe broeders daar buiten zoeken U.

30 En Hij antwoordde hun, zeggende: Wie is Mijne moeder, of Mijne broeders ?

34 En rondom overzien hebbende, die om Hem zaten, zeide Hij: Ziet,

31 En zijne moeder en zijne broeders kwamen, en stonden buiten, en zonden tot hem en lieten hem roepen.

32 En het volk zat rondom hem; en zij zeiden tot hem: Zie, uwe moeder en uwe broeders daarbuiten vragen naar u.

33 En hij antwoordde hun en zeide: Wie is mijne moeder en [wie zijn] mijne broeders?

34 En hij zag rondom zich op de jongeren, die om hem in het rond

31 Zijn moeder en broeders kwamen en zonden, terwijl zij bleven buitenstaan, iemand tot hem om hem te roepen.

32 Er zat toen een groote schare rondom hem, en men zeide tot hem: Daar staan uw moeder, broeders en zusters buiten; zij zoeken u.

33 Maar hij gaf hun ten antwoord: Wie is mijn moeder? wie zijn mijn broeders?

34 En hij liet over hen die rondom hem zaten de oogen gaan en zeide:

Sluiten