is toegevoegd aan uw favorieten.

Het Nieuwe Testament in zes Nederlandse vertalingen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dochtertje eenen onreinen geest gehoord, wier dochter een duivel van een onreinen geest bezeten

had, van Hem gehoord hebbende, had; en zij kwam en viel neder was had nauwelijks van hem ge-

kwam en viel neder aan Zijne aan zijne voeten. hoord of zij kwam hem te voet

voeten. vallen

26 Deze nu was eene Grieksche vrouw, van geboorte uit SyroPenicië; en zij bad Hem, dat Hij den duivel uitwierp uit hare dochter.

27 Maar Jezus zeide tot haar: jLaat eerst de kinderen verzadigd worden; want het is niet betamelijk, dat men het brood der kinderen, neme, en den hondekens voorwerpe.

28 Maar zij antwoordde en zeide tot Hem: Ja, Heere! doch ook de hondekens eten onder de tafel van de kruimels der kinderen.

29 En Hij zeide tot haar: Om dezes woords wil ga heen! de duivel is uit uwe dochter uitgavaren.

26 Deze nu was eene Grieksche vrouw, uit Syro-Penicië; en zij bad hem, dat hij den duivel uit hare dochter uitdreef.

27 Maar Jezus zeide tot haar: Laat eerst de kinderen verzadigd worden; het is niet betamelijk, dat men het brood der kinderen neme en voor de honden werpe.

28 Maar zij antwoordde en zeide tot hem: Ja Heer, maar nochtans eten de honden onder de tafel van de kruimpjes der kinderen.

29 En hij zeide tot haar: Om dezes woords wil, ga heen: de duivel is uit uwe dochter uitgevaren.

26 — die vrouw was een heidensche, een Fenicische van afkomst — en verzocht hem den duivel uit haar dochter te bannen.

27 Hij zeide tot haar: Laat eerst de kinderen verzadigd worden; want het past niet het brood der kinderen te nemen en den honden toe te werpen.

28 Maar zij antwoordde hem: Ja, wel, Heer; ook de honden onder de tafel eten van de broodkruimels der kinderen.

29 Toen zeide hij tot haar: Omdat gij dit hebt gezegd, ga heen, de duivel is uit uw dochter gevaren.

30 En als zij in haar huis kwam, 30 En zij ging heen naar haar 30 Zij ging naar huis en vond het vond zij, dat de duivel uitgevaren huis, en vond, dat de duivel uit- meisje te bed en den duivel uitgewas, en de dochter liggende op gevaren was, en de dochter op het varen, bed. bed liggende.

Matth. 15 : 21—28.

Genezing van een doofstomme.

31 En Hij wederom weggegaan zijnde van de landpalen van Tyrus en Sidon, kwam aan de zee van Galiléa, door het midden der landpalen van Dekapolis.

Matt. 15 : 29.

32 En zij brachten tot Hem eenen doove, die zwaarlijk sprak, en baden Hem, dat Hij de hand op hem legde.

Matt. 9 : 32. Luk. 11 : 14.

33 En hem van de schare alleen genomen hebbende, stak Hij Zijne vingeren in zijne ooren, en gespogen hebbende, raakte Hij zijne tong aan;

34 En opwaarts ziende naar den hemel, zuchtte Hij, en zeide tot hem: Effatha! dat is, wordt geopend!

35 En terstond werden zijne ooren geopend, en de band zijner tong werd los, en hij sprak recht.

36 En Hij gebood hunlieden, dat zij het niemand zeggen zouden; maar wat Hij hun ook gebood, zoo verkondigden zij het des te meer.

37 En zij ontzetten zich boven mate zeer, zeggende: Hij heeft alles wel gedaan, en Hij maakt, dat de dooven hooren, en de stommen .spreken.

Gen. 1 : 31.

Tweede wonderbare spijziging. 8 1 In dezelfde dagen, als er eene geheel groote schare was, en zij niet hadden, wat zij eten zouden, riep Jezus Zijne discipelen tot Zich, en zeide tot hen:

Matt. 15 : 32.

2 Ik word innerlijk met ontferming bewogen over de schare; want zij zijn nu drie dagen bij Mij gebleven, en hebben niet, wat zij eten zouden.

3 En indien Ik hen nuchteren naar hun huis laat gaan, zoo zullen zij op den weg bezwijken; want sommigen van hen komen van verre.

4 En Zijne discipelen antwoordden Hem: Van waar zal iemand dezen met brooden hier in de woestijn kunnen verzadigen?

Een doofstomme genezen.

31 En toen hij weder uitging uit de landstreek van Tyrus door Sidon, kwam hij aan de Galileesche zee, midden door de landstreek van Dekapolis.

32 En zij brachten tot hem een doove, die stom was; en zij baden hem, dat hij de hand op hem leide.

Genezing van een doofstomme.

31 Weer uit het grondgebied van Tyrus vertrokken, ging hii over Sidon naar de zee van Galilea, midden in het gebied van Decapolis.

32 Toen droeg men tot hem een doove die daarenboven moeilijk sprak, met de bede hem de hand op te leggen.

33 Hij nam hem ter zijde, van de menigte verwijderd, stak zijn vingers in zijn ooren, spuwde en raakte zijn tong aan.

34 Toen zuchtte hij, de oogen ten hemel geslagen, en zeide tot hem: Effata, dat wil zeggen: Word geopend.

35 En zijn ooren werden geopend, de band van zijn tong werd losgemaakt, en hij sprak gewoon.

36 Hij verbood hun dit iemand te zeggen; maar hoe strenger hij het verbood des te meer maakten zij het ruchtbaar.

37 En zij stonden bovenmate versteld en zeiden: Hij heeft alles heerlijk gedaan: hij maakt dat de dooven hooren en de stommen spreken.

33 En hij nam hem van het volk alleen, en leide hem de vingers in de ooren, en spuwde, en raakte zijne tong aan,

34 en zag op naar den hemel, en zuchtte, en zeide tot hem: Effatha! dat is: Open u!

35 En terstond openden zijn ooren zich, en de band zijner tong werd los, en hij sprak recht.

36 En hij gebood hun, dat zij het niemand zeggen zouden; maar hoe meer hij het hun gebood, hoe meer zij het verbreidden.

37 En zij verwonderden zich bovenmate, zeggende: Hij heeft alles wèl gemaakt; de dooven maakt hij hoorende, en de sprakeloozen sprekende.

iviatm. jld : ai.

De spijziging der vierduizend. Wonderbare spijziging.

1 In dien tijd, toen er veel volk 1 Toen in die dagen wederom een was, en zij niet te eten hadden, groote schare aanwezig was en zij riep Jezus zijne jongeren tot zich, niets te eten hadden, riep hij zijn en zeide tot hen: leerlingen bij zich en zeide:

2 Het jammert mij van het volk; 2 Ik heb medelijden met de schawant zij zijn nu drie dagen bij mij re; want zij zijn nu reeds drie grebleven, en hebben niet te eten; dagen bij mij en hebben mets te

eten;

3 en indien ik hen zonder eten van mij naar huis liet gaan, zouden zij op den weg bezwijken; want sommigen van hen zijn van verre gekomen.

4 En zijne jongeren antwoordden hem: Vanwaar krijgen wij brood hier in de woestijn, om hen te verzadigen ?

3 indien ik hen hongerig laat gaan, zullen zij onderweg bezwijken; en sommigen van hen komen van ver.

4 Zijn leerlingen antwoordden hem: Hoe kan iemand dezen hier in een onbewoonde plaats met brood verzadigen?