Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

45 En indien uw voet u ergert, houwt hem af; het is u beter kreupel tot het leven in te gaan, dan de twee voeten hebbende, geworpen te worden in de hel, in het onuitblusschelijk vuur;

46 waar hun worm niet sterft en het vuur niet uitgebluscht wordt.

47 En indien uw oog u ergert, werpt het uit; het is u beter maar één oog hebbende in het Koninkrijk Gods in te gaan, dan twee oogen hebbende, in het helsche vuur geworpen te worden;

48 Waar hun worm niet sterft, en het vuur niet uitgebluscht wordt.

49 Want een ieder zal met vuur gezouten worden, en iedere offerande zal met zout gezouten worden.

Lev. 2 : 13.

50 Het zout is goed; maar indien het zout onzout wordt, waarmede zult gij dat smakelijk maken? Hebt zout in uzelven, en houdt vrede onder elkander.

Matt. 5 : 13. Luk. 14 : 34. Rom. 12 : 18.

Hebr. 12 : 14.

Over de echtscheiding.

1 En van daar opgestaan zijnde, ging Hij naar de landpalen van Judéa, door de overzijde van de Jordaan; en de scharen kwamen wederom samen bij Hem, en gelijk Hij gewoon was, leerde Hij hen wederom.

Matt. 19 : l.

2 En de Farizeën, tot Hem komende, vraagden Hem, of het een man geoorloofd is, zijne vrouw te verlaten, Hem verzoekende.

3 Maar Hij, antwoordende, zeide tot hen: Wat heeft u Mozes geboden ?

4 En zij zeiden: Mozes heeft toegelaten eenen scheidbrief te schrijven, en haar te verlaten.

Deut. 24 : 1. Jer. 3 : 1. Matt. 5 : 31.

5 En Jezus, antwoordende, zeide tot hen: Vanwege de hardigheid uwer harten heeft hij ulieden dat gebod geschreven.

6 Maar van het begin der schepping heeft ze God man en vrouw gemaakt.

Gen. 1 : 27. Matt. 19 : 4.

7 Daarom zal een mensch zijn vader en zijne moeder verlaten, en zal zijne vrouw aanhangen;

Gen. 2 : 24. 1 Kor. 6 : 16. Eiez. 5 : 31.

8 En die twee zullen tot één vleesch zijn, alzoo dat zij niet meer twee zijn, maar één vleesch.

9 Hetgeen dan God samengevoegd heeft, scheide de mensch niet.

1 Kor. 7 : 10.

10 En in het huis vraagden Hem Zijne discipelen wederom van hetzelve.

11 En Hij zeide tot hen: Zoo wie zijne vrouw verlaat, en eene andere trouwt, die doet overspel tegen haar.

Matt. 5 : 32. 19 : 9. Luk. 16 : 18.

1 Kor. 7 : 10.

12 En indien eene vrouw haren man zal verlaten, en met een anderen trouwen, die doet overspel.

15 En indien uw voet u verleidt, houw hem af! Het is u beter, dat gij kreupel tot het leven ingaat, dan dat gij twee voeten hebt en in de hel geworpen wordt, in het onuitbluschbare vuur,

46 Waar hun worm niet sterft, en hun vuur niet uitgebluscht wordt.

47 En indien uw oog u verleidt, werp het van u! Het is u beter, dat gij éénoogig in het rijk Gods ingaat, dan dat gij twee oogen hebt en in het helsche vuur geworpen wordt,

48 waar hun worm niet sterft en hun vuur niet uitgebluscht wordt.

49 Want een ieder zal met vuur gezouten worden, en elk offer zal met zout gezouten worden.

50 Het zout is goed: maar indien het zout smakeloos wordt, waarmede zal men het weder zout maken ? Hebt zout in uzelven, en houdt vrede onder elkander.

Matth. 10 : 42. Luc. 17 : 2. Matth. 5 : 29, 30. 18 : 8, 9.

Over echtscheiding.

1 En hij stond van daar op, en kwam in de streken van Judéa, door het Overjordaansche; en het volk ging wederom bij menigte tot hem, en, gelijk het zijne gewoonte was, leerde hij hen wederom.

2 En de Farizeën traden tot hem en vraagden hem of een man zich scheiden mocht van zijne vrouw; en zij verzochten hem daarmede.

3 Hij nu antwoordde en zeide tot hen: Wat heeft Mozes u geboden?

4 Zij zeiden: Mozes heeft toegelaten een scheidbrief te schrijven en zich te scheiden.

5 En Jezus antwoordde en zeide tot hen: Vanwege de hardheid uwer harten heeft hij u zulk een gebod geschreven:

6 maar van het begin der schepping heeft God hen man en vrouw gemaakt.

7 „Daarom zal een mensch zijnen vader en zijne moeder verlaten, en zijne vrouw aanhangen,

8 en die twee zullen één vleesch zijn". Zoo zijn zij nu niet meer twee, maar één vleesch.

9 Wat dan God te zamen heeft gevoegd, zal de mensch niet scheiden.

10 En in huis vraagden zijne jongeren hem wederom daarover.

11 En hij zeide tot hen: Wie zich van zijne vrouw afscheidt en eene andere trouwt, die doet overspel tegen haar.

12 En indien eene vrouw zich afscheidt van haren man en met een ander trouwt, die doet overspel.

Matth. 19 : 1—9. Deut. 24 : 1. Matth. 5 : 31. Gen. 1 : 27. 2 : 24. Matth. 5 : 32.

Luc. 16 : 18.

45 En indien uw voet u ten valstrik is, houw hem af; het is beter voor u kreupel het leven in te gaan dan met twee voeten in dehel geworpen te worden.

47 En indien uw oog u verleidt, werp het weg; het is beter voor u eenoogig het Koninkrijk Gods in te gaan dan met twee oogen in de hel geworpen te worden;

48 waar hun worm niet sterft en het vuur niet uitgebluscht wordt.

49 Want ieder zal met vuur gezouten worden.

50 Het zout is goed; maar wanneer het zout zouteloos wordt, waarmee kunt gij het weer goedmaken ? Hebt zout in uzelf en houdt vrede onder elkander.

Heiligheid van het huwelijk.

1 Van daar opbrekend, ging hij naar de streken van Judea en het Overjordaansche; weer kwam men in scharen tot hem en leerde hij hun, zooals hij gewoon was.

2 Toen kwamen eenige Farizeën hem vragen, of het een man vrijstaat zijn vrouw te verstooten: zij deden dit om hem op de proef te stellen.

3 Hij antwoordde hun: Wat heeft Mozes u bevolen?

4 Zij zeiden: Mozes heeft toegestaan een scheidbrief te schrijven en haar zoo te verstooten.

5 Jezus zeide hun: Met het oog op de hardheid van uw hart heeft hij u dat voorgeschreven;

6 maar van den aanvang der schepping af heeft God ze gemaakt man en vrouw;

7 daarom zal een mensch zijn vader en moeder verlaten,

8 en zij zullen samen éen vleesch worden, zoodat zij niet meer twee zijn maar éen vleesch.

9 Wat dan God vereenigd heeft scheide de mensch niet.

10 En tehuis deden de leerlingen hem weer daarover vragen,

11 en zeide hij tot hen: Wie zijn vrouw verstoot en een andere trouwt doet overspel tegen haar;

12 en als zij haar man verstoot en een anderen trouwt, doet zij overspel.

10

Sluiten