is toegevoegd aan uw favorieten.

Het Nieuwe Testament in zes Nederlandse vertalingen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Aardsche zegeningen en eeuwig leven als vergoeding

28 Petrus begon tot hem te zeggen: Zie, wij hebben alles veriater en zijn u gevolgd.

29 Jezus zeide: Voorwaar, ik zeg u: niemand is er, die huis of broeders of zusters of moeder of vader of kinderen of landerijen verlaten heeft, om mijnentwil en om des evangelies wil,

30 die niet nu, in dezen tijd, honderdvoudig ontvangen zal huizen en broeders en zusters en moeders en kinderen en landerijen, mèt vervolgingen, en eeuwig leven in

i de komende eeuw.

: 31 Doch vele eersten zullen laat: sten zijn en de laatsten eersten.

Lijden en dienen de eenige weg tot heerschappij. l Laatste aankondiging van lijden i en heerlijkheid. 32 En zij bevonden zich onderweg en gingen op naar Jeruzalem, en Jezus ging hun da.arheen voor; en zij waren angstig; en zij die hem volgden, wa: ren vol vrees. En hij nam wederom de twaalven bij zich en begon hun te zeggen wat hem stond te . gebeuren:

33 Zie, wij gaan op naar Jeruzalem, en de zoon des menschen zal ; worden overgeleverd aan de over; priesters en aan de schriftgeleerden; en zij zullen hem ter dood veroordeelen, en zij zullen hem aan de heidenen overleveren, '34 en hem bespotten en bespuwen en geeselen en dooden en na drie : dagen zal hij opstaan.

Zelfopofferende liefde de ware grootheid. >35 En Jakobus en Johannes, de : zonen van Zebedéüs, kwamen tot hem en zeiden: Meester, wij ' wenschten wel, dat gij voor ons Idoet wat wij u willen vragen.

36 Hij vroeg hun: Wat wenscht [gij, dat ik voor u doe?

37 Zij zeiden tot hem: Vergun ons, dat wij, in uwe heerlijkheid, de een .aan uwe rechter- en de ander aan uwe linkerhand mogen zitten.

38 Doch Jezus zeide tot hen: Gij ■weet niet wat gij vraagt. Kunt gij den ^ drinkbeker drinken, dien ik drink, of den doop ontvangen, dien ik ontvang?

[39 Zij zeiden tot hem: Ja, dat kunnen wij. Jezus zeide tot hen'Den drinkbeker, dien ik drink, guit gij wel drinken, en den doop, idien ik ontvang, zult gij wel ontivangen;

40 doch het zitten aan mijne rechte1'- of mijne linkerhand staat aan tmij niet te vergeven; maar dat is voor hen, wien het bereid is.

141 En toen de tien dit hoorden, negonnen zij verstoord te worden Dp Jakobus en Johannes.

■ 28 Nu nam Petrus het woord, en l zei: Zie, wij hebben alles verlaten, en zijn U gevolgd.

■ 29 Jesus sprak: Voorwaar, Ik zeg u: Er is niemand, die huis, broers of zusters, vader of moeder, kinderen of akkers om Mij en om het Evangelie verlaat,

30 of hij zal ontvangen: nu in deze wereld, zij het ook te midden van vervolgingen, het honderdvoud van huizen, broers, zusters, moeders, kinderen en akkers; en in de toekomstige wereld het eeuwige leven.

31 Veel eersten zullen laatsten zijn, en laatsten zullen eersten zijn.

Matt. 19 : 16—30. Luk. 18 : 18—30.

Derde lijdensvoorspelling. 3^ Zij waren nu op weg naar Jerusalem; Jesus ging voor hen uit, •en zij volgden Hem, ontsteld en bevreesd. Hij nam de twaalf weer om Zich heen, en begon hun te zeggen, wat er met Hem zou gebeuren.

33 Ziet, wij gaan naar Jerusalem op, en de Mensenzoon zal worden overgeleverd aan de opperpriesters en schriftgeleerden; en ze zullen Hem ter dood veroordelen. Ze zullen Hem overleveren aan de heidenen;

34 men zal Hem bespotten, bespuwen, geselen en doden; maar na drie dagen zal Hij verrijzen.

Matt. 20 : 17—19. Luk. 18 : 31—34.

Eerzucht der zonen van Zebedeüs.

35 Nu kwamen Jakobus en Johannes, de zonen van Zebedeüs, naar Hem toe, en zeiden: Meester, we wensen, dat Gij voor ons doet, wat we U willen vragen.

36 Hij zeide hun: Wat wenst gij, dat Ik voor u doe?

37 Ze zeiden: Verleen ons, dat wij in uw heerlijkheid mogen zitten, de één aan uw rechter-, de ander aan uw linkerhand.

38 Jesus sprak tot hen: Gij weet niet, wat gij vraagt. Kunt gij de kelk drinken, die Ik drink; of het doopsel ontvangen, waarmee Ik gedoopt word?

39 Ze zeiden Hem: Dat kunnen we. Jesus sprak tot hen: Gij zult : wel de kelk drinken, die Ik drink, en het doopsel ontvangen, waar- i mee Ik gedoopt word;

40 maar zitten aan mijn rechter- • of linkerhand kan Ik niet geven; j dit is voor hem, wien het bereid is. i

i

41 Toen de tien anderen dit hoor- den, werden ze verontwaardigd 1 op Jakobus en Johannes. ]

28 Petrus begon tot Hem te zeggen: Zie, wij hebben alles prijsgegeven en zijn U gevolgd.

29 Jezus zaide: Voorwaar, Ik zeg u, er is niemand, die huis of broeders of zuster of moeder of vader of kinderen of akkers heeft prijsgegeven om Mij en om het evangelie,

30 of hij ontvangt honderdvoudig terug: nu, in dezen tijd, huizen en broeders en zusters en moeders en kinderen en akkers, met vervolgingen, en in de toekomende eeuw het eeuwige leven.

31 Maar vele eersten zullen de laatsten zijn en de laatsten de eersten.

Matth. 19 : 16—30. Luc. 18 : 18—30: 13 : 30.

De derde aankondiging van het lijden. De zonen van Zebedéüs.

32 Zij waren onderweg, opgaande naar Jeruzalem, en Jezus ging vóór hen uit, en zij waren zeer verbaasd en zij, die volgden, waren bevreesd. En wederom nam Hij de twaalven tot zich en begon tot hen te spreken over hetgeen over Hem zou komen:

33 Zie, wij gaan op naar Jeruzalem en de Zoon des mensen zal overgeleverd worden aan de overpriesters en de schriftgeleerden en zij zullen Hem ter dood veroordelen en zij zullen Hem overleveren aan de heidenen,

34 en zij zullen Hem bespotten en Hem bespuwen en Hem geselen en doden, en na drie dagen zal Hij opstaan.

35 En Jacobus en Johannes, de [twee] zonen van Zebedéüs, kwamen tot Hem en zeiden tot Hem: Meester, wij wilden wel, dat Gij ons deedt, wat wij U zullen vragen.

36 Hij zeide tot hen: Wat wilt gij, dat Ik u doen zal?

37 Zij zeiden tot Hem: Geef ons, dat wij de één aan uw rechterzijde en de ander aan uw linkerzijde mogen zitten in uw heerlijkheid.

38 Doeh Jezus zeide tot hen: Gij weet niet, wat gij vraagt. Kunt gij den beker drinken, dien Ik drink, of met den doop gedoopt worden, waarmede Ik gedoopt word?

39 Zij zeiden tot Hem: Wij kunnen het. Jezus zeide tot hen: Den beker, dien Ik drink, zult gij Irinken en met den doop, waarmede Ik gedoopt word, zult gij gedoopt worden,

10 maar het zitten aan mijn •echterzijde of linkerzijde, staat liet aan Mij te geven, maar het s voor wie het bereid is.

11 En toen de tien dit hoorden, jegonnen zij het Jacobus en Joïannes kwalijk te nemen.

I mJ > — ' ■ - UI,

aan uwe rechter- en de ander aan

j -«-vu, uiui in. lYciiv uniiKen, aie ik arinK; ot net «i den doop ontvangen, doopsel ontvangen, waarmee Ik dien ik ontvang? gedoopt word?

^ — " "Viii. i»Q, uai

kunnen wij. Jezus zeide tot hen: ('Den drinkhp'U-pr Hi

V. «^11 XXX U1111IV,

[guit gij wel drinken, en den doop,

inion ilr Antlrnwn. „,,14- • • 1 ,