is toegevoegd aan uw favorieten.

Het Nieuwe Testament in zes Nederlandse vertalingen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

42 Doch Jezus riep hen tot zich en zeide tot hen: Gij weet, dat zij die gelden als regeerders der volken, hen overheerschen, en hunne grooten hen tenonder houden.

42 Maar Jesus riep hen naar Zich toe, en sprak tot hen: Gij weet, dat zij, die als vorsten worden beschouwd, over de volkeren heersen, en dat hun rijksgroten ze hun macht laten voelen.

42 En Jezus riep hen tot zich en zeide tot hen: Gij weet, dat zij, die regeerders der volken heten, heerschappij over hen voeren, en hun rijksgroten oefenen macht over hen.

43 Maar alzoo is het onder u niet; doch zoo wie onder u groot wil worden, die zal uw dienaar zijn;

43 Zó moet het niet zijn onder u; maar wie onder u groot wil worden, moet uw dienaar zijn;

43 Zó is het echter onder u niet. Maar wie groot wil worden onder u, zal uw dienaar zijn;

44 en zoo wie onder u de eerste wil wezen, die zal aller slaaf zijn.

45 Want ook de zoon des menschen is niet gekomen, om gediend te worden, maar om te dienen, en zijn leven te geven tot een losprijs voor velen.

Jesus treedt tegenover het volk

op als de Christus.

Jesus op weg naar Jeruzalem gehuldigd als de Zone Davids. 46 En zij kwamen te Jericho. En terwijl hij met zijn discipelen en een aanzienlijke schare Jericho uitging, zat de zoon van Timéüs, Bartiméüs, een blinde bedelaar, aan den weg.

47 En toen hij hoorde, dat het Jezus de Nazarener was, begon hij luide te roepen: Jezus, gij zone Davids, erbarm u mijner!

48 En velen voeren tegen hem uit, opdat hij zwijgen zoude. Doch hij riep des te meer: Zone Davids, erbarm u mijner!

49 En Jezus bleef staan en zeide: Roept hem hier. En zij riepen den blinde en zeiden tot hem: Heb goeden moed, sta op, hij roept u.

50 Toen wierp hij zijn bovenkleed af, sprong op en kwam tot Jezus.

51 En Jezus sprak hem aan en zeide: Wat wenscht gij, dat ik u doen zal? De blinde zeide tot hem: Rabboeni, laat mij ziende mogen worden.

52 En Jezus zeide tot hem: Ga heen, uw geloof heeft u behouden. En terstond werd hij ziende; en hij volgde Jezus op zijn reis.

44 en wie onder u de eerste wil zijn, moet aller dienstknecht wezen.

45 Ook de Mensenzoon is niet gekomen, om gediend te worden, maar om te dienen, en zijn leven te geven tot losprijs voor velen.

Matt. 20 : 20—28.

De blinde van Jericho. 46 Nu kwamen zij te Jericho aan. En toen Hij Jericho verliet, vergezeld van zijn leerlingen en een talrijke menigte, zat er een blinde bedelaar langs de weg; Bartimeüs, de zoon van Timeüs.

47 Zodra hij hoorde, dat het Jesus van Nazaret was, begon hij hard te roepen: Jesus, Zoon van

jjctviu, unuerm u mijner!

48 Velen vielen tegen hem uit, om hem tot zwijgen te brengen. Maar hii rieü nop- harder: Zoon

van David, ontferm U mijner!

49 Jesus bleef staan, en sprak: Roept hem hier. Ze riepen den blinde, en zeiden tot hem: Houd moed, sta op; Hij roept u.

50 Hij wierp zijn mantel weg, sprong overeind, en ging naar Jesus toe.

51 Jesus sprak tot hem: Wat wilt ere, dat Ik voor u doe? De blinde

z^ide Hem: Rabboni, dat ik zien zal.

52 En Jesus sprak tot hem: Ga; uw geloof heeft u gered. En aanstonds zag hij weer, en volgde Hem op zijn weg.

Matt. 20 : 29—34. Luk. 18 : 35—43.

44 en wie onder u de eerste wil zijn, zal aller slaaf zijn.

45 Want ook de Zoon des mensen is niet gekomen om zich te laten dienen, maar om te dienen en zijn leven te geven als losprijs voor velen. Matth. 20 : 17—28.

Luc. 18 : 31—34. 22 : 24—27.

De genezing van Bar-Timéüs. 46 En zij kwamen te Jericho. En toen Hij met zijn discipelen en een talrijke schare uit Jericho vertrok, zat de zoon van Timéüs, Bartiméüs, een blinde bedelaar, aan den weg.

47 En toen hij hoorde, dat het Jezus van Nazareth was, begon hij te roepen en te zeggen: Zoon van David, Jezus, heb medelijden met mij!

48 En velen bestraften hem, opdat hij zwijgen zou. Doch hij riep nog veel meer: Zoon van David, heb medelijden met mij!

49 En Jezus stond stil en zeide: Roept hem. En zij riepen den blinde en zeiden tot hem: Houd moed, sta op, Hij roept u.

50 Toen wierp hij zijn mantel af, sprong op en ging naar Jezus.

51 En Jezus antwoordde en zeide tot hem: Wat wilt gij, dat Ik u doen zal ? De blinde zeide tot Hem; Rabboeni, dat ik zien moge!

52 En Jezus zeide tot hem: Ga heen, uw geloof heeft u behouden. En terstond werd hij ziende en volgde Hem op den weg.

Matth. 20 : 29—34. Luc. 13 : 35—43.

Jezus1 intocht in Jeruzalem als vredevorst.

1 En toen zij Jeruzalem naderden, namelijk Betfagé en Bethanië, aan den Olijfberg, zond hij twee van zijn discipelen uit met de opdracht: Gaat heen naar het dorp daar vóór u;

2 en zoodra gij daar inkomt, zult gij een veulen vastgebonden vinden, waarop nog nooit een mensch gezeten heeft; maakt het los en brengt het mede.

3 En indien iemand tot u mocht zeggen: waarom doet gij dat? zoo antwoordt dan: de Heer heeft het van noode en hij zendt het terstond weder hierheen terug.

4 En zij gingen heen en vonden bet veulen aan een deur gebonden, buiten aan de straat; en zij maakten het los.

5 En sommigen van hen die daar

De blijde intocht.

1 Toen zij Jerusalem naderden, bij Bétfage en Betanië op de Olijfberg, zond Hij twee van zijn leerlingen vooruit,

2 en zei tot hen: Gaat naar het dorp, dat tegenover u ligt. Zodra gij daar binnenkomt, zult gij er een veulen vinden vastgebonden, waarop nog geen mens heeft gezeten; maakt het los, en brengt het hier.

3 Zo iemand u zegt: Wat doet gij daar? zegt dan: De Heer heeft het nodig, maar Hij stuurt het dadelijk hier terug.

4 Ze gingen heen, en vonden een veulen, vastgebonden voor de deur buiten op straat; en ze maakten het los.

5 Enige omstanders zeiden tot

De intocht in Jeruzalem.

1 En toen zij dicht bij Jeruzalem 11 kwamen, bij Bethphagé en Betha- " nië aan den Olijfberg, zond Hij twee van zijn discipelen uit, en zeide tot hen:

2 Gaat naar het dorp, dat tegenover u ligt, en terstond, als gfl er binnen komt, zult gij een veulen vastgebonden vinden, waarop nog nooit een mens heeft ge»zeten; maakt het los en brengt het hier.

3 En indien iemand tot u zegt: Wat doet gij daar? zegt dan: De Here heeft het nodig en terstond zendt Hij het weder hierheen.

4 En zij gingen heen en vonden een veulen vastgebonden bij de deur buiten aan den weg, en zij maakten het los.

5 En sommigen van degenen, die