Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

en uit geheel de kracht; en den naaste lief te hebben als zichzelven, is meer dan al de brandofferen en de slachtofferen. 34 En Jezus ziende, dat hij verstandelijk geantwoord had, zeide tot hem: Gij zijt niet verre van het Koninkrijk Gods. En niemand durfde Hem meer vragen.

Christus, zoon van David.

35 En Jezus antwoordde en zeide, leerende in den tempel: Hoe zeggen de Schriftgeleerden, dat de Christus een Zoon van David is?

Matt. 22 : 41. Luk. 20 : 41.

36 Want David zelf heeft door den Heiligen Geest gezegd: De Heere heeft gezegd tot Mijnen Heere: Zit aan Mijne rechterhand, totdat ik Uwe vijanden zal gezet hebben tot eene voetbank Uwer voeten.

Ps. 110 : 1. Hand. 2 : 34.1 Kor. 15 : 25.

Hebr. 1 : 13. 10 : 13.

37 David dan zelf noemt Hem zijnen Heere, en hoe is Hij zijn Zoon? En de menigte der schare hoorde Hem gaarne.

alle krachten, en zijnen naaste lief te hebben als zichzelven, dit is meer dan alle brandoffers en andere offers.

34 En toen Jezus zag, dat hij verstandig antwoordde, zeide hij tot hem: Gij zijt niet ver van het rijk Gods. En niemand durfde hem meer vragen.

Mattn. 22 : 34—40. Luc. 10 : 25—28.

ben als zichzelf is beter dan brandoffers en alle andere offers.

34 Toen Jezus zag dat hij verstandig sprak, zeide hij tot hem: Gij zijt niet ver van het Godsrijk. Niemand durfde verder hem iets vragen.

Davids Zoon en Davids Heer.

35 En Jezus antwoordde en zeide, toen hij leerde in den tempel: Hoe zeggen de Schriftgeleerden, dat de Christus Davids zoon is?

36 En echter zegt David zelf door den Heiligen Geest: „De Heer heeft gezegd tot mijnen Heer: Zet u aan Mijne rechterhand, totdat Ik uwe vijanden leg tot eene voetbank uwer voeten".

Over de afkomst van den Christus.

35 Nu nam Jezus het woord en sprak, toen hij in den tempel leerde: Hoe kunnen de schriftgeleerden zeggen dat de Christus Davids zoon is?

36 David zelf heeft toch door den Heiligen Geest gezegd: De Heer heeft gezegd tot mijn heer: Zit aan mijn rechterhand totdat Ik uw vijanden maak tot uw voetbank.

37 Noemt hem nu David zelf 37 Als David zelf hem heer noemt, zijnen Heer; hoe is hij dan zijn hoe is hij dan zijn zoon? — De zoon ? — En veel volk hoorde hem talrijke schare hoorde hem gaarne, gaarne.

Matth. 22 : 41—45. Luc. 20 : 41—44.

Waarschuwing tegen de Schriftgeleerden. 38 En Hij zeide tot hen in Zijne leer: Wacht u voor de Schriftgeleerden, die daar gaarne willen wandelen in lange kleederen, en gegroet zijn op de markten;

Matt. 23 : 5, 6. Luk. 11 : 43. 20 : 46.

Waarschuwing tegen de Schriftgeleerden. 38 En hij leerde hen en zeide tot hen: Wacht u voor de Schriftgeleerden, die in lange kleederen gaan, en zich gaarne laten groeten op de markt,

Geveinsdheid der Farizeën. 38 En bij zijn onderricht zeide hij: Wacht u voor de schriftgeleerden, die er van houden in deftige kleedij rond te gaan en op de markten gegroet te worden,

39 En de voorgestoelten hebben in de synagogen, en de vooraanzittingen in de maaltijden;

40 Welke de huizen der weduwen opeten, en dat onder den schijn van lang te bidden. Dezen zullen zwaarder oordeel ontvangen.

Matt. 23 : 14. Luk. 20 : 47. 2 Tim. 3 : 6.

Tit. 1 : 11.

Het penningske der weduwe.

41 En Jezus, gezeten zijnde tegenover de schatkist, zag, hoe de schare geld wierp in de schatkist; en vele rijken wierpen veel daarin.

Luk. 21 : 1. 2 Kon. 12 : 9.

42 En er kwam eene arme weduwe, die twee kleine penningen daarin wierp, hetwelk is een oort.

43 En Jezus, Zijne discipelen tot Zich geroepen hebbende, zeide tot hen: Voorwaar Ik zeg u, dat deze arme weduwe meer ingeworpen heeft, dan allen, die in de schat¬

kist geworpen hebben.

2 Kor. 8:12.

44 Want zij allen hebben van hunnen overvloed daarin geworpen; maar deze heeft van haar gebrek, al wat zij had, daarin geworpen, haren ganschen leeftocht.

Verwoesting van Jeruzalem voorzegd.

iT 1 En als Hij uit den tempel ging, zeide een van Zijne discipelen tot Hem: Meester! zie, hoedanige steenen, en hoedanige gebouwen!

Matt. 24 : 1. Luk. 21 : 5. 2 En Jezus, antwoordende, zeide

39 en gaarne vooraan zitten in de synagogen, en boven aan bij de maaltijden;

40 die de huizen der weduwen opeten en voor den schijn lange gebeden doen zij zullen te zwaarder oordeel ontvangen.

Luc. 20 : 46, 47. Mr *>th. 23 : 5—7, 14.

Het penningske der weduwe.

41 En Jezus zette zich tegenover de godskist, en zag, hoe het volk geld wierp in de godskist; en vele rijken wierpen er veel in.

39 vooraan te zitten in de synagogen en de hoogste plaatsen bij maaltijden in te nemen;

40 zij, die de huizen der weduwen opeten en voor den schijn lange gebeden doen, zij zullen te zwaarder vonnis krijgen.

Het penningske der weduwe. 41 Eens zag hij, tegenover de offerkist gezeten, het aan, hoe de schare koperstukken in de offerkist wierp. Menige rijke wierp er veel in,

42 En er kwam eene arme weduwe 42 en een arme weduwe kwam er en wierp er twee penningen in, twee penningen, samen een halven ter waarde van een oortje. stuiver, in werpen.

43 En hij riep zijne jongeren tot 43 Toen riep hij zijn leerlingen tot zich en zeide tot hen: Voorwaar, zich en zeide: Voorwaar, ik zeg ik zeg u: Deze arme weduwe heeft u, die arme weduwe heeft meer in meer in de godskist geworpen dan de offerkist geworpen dan alle allen, die er ingeworpen hebben; anderen;

44 want zij hebben allen van hunnen overvloed er ingeworpen, maar déze heeft van hare armoede, al wat zij had, haar ganschen leeftocht, er ingeworpen.

Luc. 21 : 1—4.

Jeruzalems einde. 1 En toen hij uit den tempel ging zeide een zijner jongeren tot hem: Meester, zie, welke steenen en

rirnll/o cyflVininjrpn '

44 want allen gaven van hun overvloed, zij gaf van haar armoede, alwat zij voor levensonderhoud had.

De teekenen van het einde der wereld. Wederkomst van den Menschenzoon.

1 Toen hij den tempel verliet, zeide een zijner leerlingen: Meester, zie wat een steenen en gebouwen!

2 En Jezus antwoordde en zeide 2 En Jezus zeide: Ziet gij die

Sluiten