is toegevoegd aan uw favorieten.

Het Nieuwe Testament in zes Nederlandse vertalingen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

61 Doch hij bleef zwijgen en gaf geen antwoord. Wederom vraagde de hoogepriester hem en zeide tot hem: Zijt gij de Christus, de zoon van den Gezegende?

62 En Jezus zeide." Ik ben het. En gij zult den zoon des menschen zien, zittende aan de rechterhand der Almacht, en komende met de wolken des hemels.

63 Toen scheurde de hoogepriester zijn kleederen en zeide: Wat hebben wij nog getuigen van noode ?

64 gij hebt de godslastering gehoord: wat is uw oordeel? En zij allen veroordeelden hem als des doods schuldig.

65 En sommigen begonnen hem te bespuwen en zijn gelaat te omhullen en hem met vuisten te slaan en te zeggen: Profeteer nu eens! En ook de dienaren brachten hem slagen toe.

Jezus door Petrus verloochend. 66 En terwijl Petrus zich beneden op het binnenplein bevond, kwam daar een van de slavinnen des hoogepriesters;

67 en toen zij Petrus zag, bezig zich te warmen, keek zij hem aan en zeide: Ook gij waart met den Nazarener, met Jezus.

68 Doch Petrus loochende dit en zeide: Ik weet niet en begrijp niet wat gij zegt.

69 En hij ging naar buiten, naar de voorhal. En als de slavin hem daar zag, begon zij wederom tot de omstanders te zeggen: Dit is een van hen.

70 Maar hij loochende het wederom. En kort daarop zeiden de omstanders wederom tot Petrus: Inderdaad, gij zijt een van hen, want gij zijt ook een Galileër.

71 Maar hij begon onder vervloekingen en eeden te verzekeren: Ik ken dien man niet, waarvan gij spreekt!

72 En terstond kraaide er een haan voor den tweeden keer, en Petrus werd het woord indachtig, dat Jezus tot hem gesproken had: Eer de haan tweemaal gekraaid heeft, zult gij mij driemaal verloochend hebben. Toen omhulde hij zijn gelaat en weende.

Jezus voor Pilatus als de onschuldige.

1 En zoodra de morgen aangebroken was, hielden de overpriesters tezamen met de oudsten en schriftgeleerden (dat is de geheele Joodsche raad) een zitting en lieten Jezus binden en wegleiden; en zij gaven hem over aan Pilatus.

2 En Pilatus ondervraagde hem: zÖt gij de koning der Joden? Hij antwoordde hem: Gij spreekt het uit.

61 Maar Hij zweeg, en antwoordde niets. Opnieuw vroeg Hem de hogepriester, en zei Hem: Zijt Gij de Christus, de Zoon van den Gezegende ?

62 Jesus sprak: Ik ben het! Gij zult den Mensenzoon gezeten zien aan de rechterhand der Majesteit, en Hem zien komen op de wolken des hemels.

63 Toen scheurde de hogepriester zijn klederen, en zeide: Wat hebben we nog getuigen nodig?

64 Gij hebt de godslastering geboord. Wat dunkt u? En allen spraken het vonnis uit, dat Hij des doods schuldig was.

65 Toen begonnen sommigen Hem te bespuwen, zijn gelaat te bedekken en Hem kaakslagen te geven, en dan tot Hem te zeggen: Profeteer! Ook de dienstknechten sloegen Hem in het gelaat.

Matt. 26 : 57—68. Luk. 22 : 63—71.

Joh. 18 : 12—27.

De verloochening van Petrus.

66 Terwijl Petrus zich dus beneden in de voorhof bevond, kwam daar een der dienstmeisjes van den hogepriester;

67 en toen ze Petrus zich zag warmen, keek ze hem aan, en sprak: Ook gij waart bij Jesus van Nazaret.

68 Doch hij loochende het en sprak: Ik weet niet, ik begrijp niet, wat ge zegt. Hij ging weg naar de voorhal; en er kraaide een haan.

69 Maar het dienstmeisje, dat hem had opgemerkt, begon nu weer tot de omstanders te zeggen: Hij is er een van.

70 Maar hij loochende het opnieuw. Kort daarop zeiden ook de omstanders op hun beurt tot Petrus: Zeker, ook gij zijt er een van, want ge zijt een Galileër.

71 Nu begon hij te vloeken en te zweren: Ik ken den mens niet, van wien gij spreekt.

72 En aanstonds kraaide een haan voor de tweede maal. Toen dacht Petrus aan het woord, dat Jesus tot hem gesproken had: Eer de haan twee maal gekraaid heeft, zult ge Mij driemaal verloochenen. En hij barstte in tranen los.

Matt. 26 : 69—75. Luk. 22 : 54—62.

Joh. 18 : 15—18, '25—27.

Door Pilatus veroordeeld en gegeseld. 1 Heel in de vroeete namen de

opperpriesters met de oudsten, schriftgeleerden en heel de Hoge Raad een beslissing. Ze lieten Jesus binden, voerden Hem weg, en leverden Hem over aan Pilatus.

2 Pilatus ondervroeg Hem: Zijt Gij de Koning der Joden? Hij gaf hem ten antwoord: Ge zegt het.

61 Maar Hij bleef zwijgen en gaf niet ten antwoord. Wederom ondervroeg de hogepriester Hem en zeide tot Hem: Zijt Gij de Christus, de Zoon van den Gezegende?

62 En Jezus zeide: Ik ben het, en gij zult den Zoon des mensen zien, gezeten aan de rechterhand der Macht en komende met de wolken des hemels.

Ps. 110 : 1. Dan. 7 : 13.

63 De hogepriester scheurde zijn klederen en zeide: Waartoe hebben wij nog getuigen nodig?

64 Gij hebt de godslastering gehoord: wat is uw oordeel? En zij allen veroordeelden Hem als des doods schuldig.

65 En sommigen begonnen Hem te bespuwen en zijn gelaat te bedekken en Hem met vuisten te slaan en tot Hem te zeggen: Profeteer nu! En de dienaars sloegen Hem in het gelaat.

Matth. 26 : 57—68. Luc. 22 : 54, 55, 63—71.

Jezus door Petrus verloochend.

66 En terwijl Petrus beneden in den hof was, kwam daar een der slavinnen van den hogepriester.

67 En toen zij Petrus zag, terwijl hij zich warmde, keek zij hem aan en zeide tot hem: Ook gij waart bij dien Nazarener, bij Jezus!

68 Maar hij loochende het en zeide: Ik weet niet en begrijp niet, wa,t gij zegt. En hij ging naar buiten, naar het voorportaal.

69 En toen de slavin hem in het oog kreeg, begon zij opnieuw tot de omstanders te zeggen: Die man behoort bij hen.

70 Maar hij loochende het wederom. En even later zeiden de omstanders weer tot Petrus: Inderdaad, gij behoort bij hen; want gij zijt ook een Galileër.

71 Maar hij begon zich te vervloeken en te zweren: Ik ken dien mens niet, over wien gij spreekt.

72 En terstond kraaide de haan voor de tweede maal. En Petrus herinnerde zich het woord, dat Jezus tot hem gesproken had: Eer de haan tweemaal gekraaid heeft, zult gij Mij driemaal verloochenen. En hij begon te wenen.

Matth. 26 : 69—75. Luc. 22 : 54—62 Joh. 18 : 17, 18, 25—27.

Jezus voor Pilatus. 1 En terstond des morgens vroeg, i 5 stelden de overpriesters met de oudsten en schriftgeleerden, de gehele Raad, een besluit vast, en zij boeiden Jezus en zij leidden Hem weg en leverden Hem over aan Pilatus.

2 En Pilatus ondervroeg Hem: Zijt Gij de Koning der Joden? En Hij antwoordde hem en zeide Gij zegt het.