is toegevoegd aan uw favorieten.

Het Nieuwe Testament in zes Nederlandse vertalingen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

37 En het gerucht van Hem ging uit in alle plaatsen des omliggenden lands.

In het huis van Petrus.

38 En Jezus, opgestaan zijnde uit de synagoge, ging in het huis van Simon; en Simons vrouws moeder was met eene groote koorts bevangen, en zij baden Hem voor haar. Matt. 8 : 14. Mark. 1 : 29

39 En staande boven haar, bestrafte Hij de koorts, en de koorts verliet haar; en zij van stonde aan opstaande, diende henlieden.

40 En als de zon onderging, brachten allen, die kranken hadden, met verscheidene ziekten bevangen, die tot Hem, en Hij leide een iegelijk van hen de handen op, en genas dezelve. Matt. 8 : 16.

Mark. 1 : 32. Mark. 7 : 32. 8 : 23, 25.

41 En er voeren ook duivelen uit van velen, roepende en zeggende: Gij zijt de Christus, de Zone Gods! En hen bestraffende, liet Hij die niet spreken, omdat zij wisten, dat Hij de Christus was.

Mark. 1 : 34. 3 : 11.

Door Galiléa.

42 En als het dag werd, ging Hij uit, en trok naar eene woeste plaats; en de scharen zochten Hem, en kwamen tot bij Hem, en hielden Hem op, dat Hij van hen niet zou weggaan,

Mark. 1 : 35.

43 Maar Hij zeide tot hen: Ik moet ook andere steden het Evangelie van het Koninkrijk Gods verkondigen; want daartoe ben Ik uitgezonden.

44 En Hij predikte in de synagogen van Galiléa.

De wonderbare vischvangst. c 1 En het geschiedde, als de schare op Hem aandrong, om het Woord Gods te hooren, dat Hij stond bij het meer Gennésaret.

Matt. 13 : 2. Mark. 4 : 1.

2 En Hij zag twee schepen aan den oever van het meer liggende, en de visschers waren daaruit gegaan, en spoelden de netten.

3 En Hij ging in een van die schepen, hetwelk van Simon was, en bad hem, dat hij een weinig van het land afstak; en nederzittende, leerde Hij de scharen uit het schip.

4 En als Hij afliet van spreken, zeide Hij tot Simon: Steek af naar de diepte, en werp uwe netten uit om te vangen.

Joh. 21 : 6.

5 En Simon antwoordde en zeide tot Hem: Meester! wij hebben den geheelen nacht over gearbeid, en niets gevangen; doch op Uw woord zal ik het net uitwerpen.

6 En als zij dat gedaan hadden, besloten zij eene groote menigte visschen, en hun net scheurde.

7 En zij wenkten hunne medegenooten, die in het andere schip waren, dat zij hen zouden komen helpen. En zij kwamen, en vulden beide de schepen, zoodat zij bijna zonken.

37 En het gerucht van hem ging uit in alle plaatsen des omliggenden lands.

Mare. 1 : 21—28. Matth. 7 : 28, 29.

In het huis van Petrus.

38 En hij stond op uit de synagoge, en kwam in het huis van Simon; en Simons schoonmoeder was met eene zware koorts bevangen, en zij baden hem voor haar.

39 En hij trad tot haar en gebood de koorts, en zij verliet haar; en dadelijk stond zij op en diende hen.

40 En toen de zon ondergegaan was, brachten allen, die kranken hadden met menigerlei ziekten, hen tot hem; en hij legde op ieder de handen, en maakte hen gezond.

41 Ook voeren er duivelen uit van velen, die schreeuwden en zeiden: Gij zijt de Christus, de Zoon Gods! En hij bestrafte hen, en liet hen niet spreken: want zij wisten, dat hij de Christus was.

Rondreis door Galiléa.

42 En toen het dag werd, ging hij uit naar eene woeste plaats; en het volk zocht hem, en zij kwamen tot hem, en hielden hem tegen, opdat hij van hen niet zou weggaan.

Mare. 1 : 35—39.

43 Maar hij zeide tot hen: Ik moet ook aan andere steden het evangelie van het rijk Gods prediken; want daartoe ben ik gezonden.

44 En hij predikte in de synagogen van Galiléa.

Matth. 8 : 14, 15. Mare. 1 : 29—31.

De wonderbare vischvangst. 1 En het geschiedde, toen het volk op hem aandrong om het woord Gods te hooren, dat hij stond aan de zee Gennésaret.

2 En hij zag twee schepen aan de zee staan, en de visschers waren er uitgetreden, en spoelden hunne netten.

3 En hij ging in een van die schepen, hetwelk van Simon was, en verzocht hem, dat hij het een weinig van land zou voeren; en hij ging zitten en leerde het volk uit het schip.

4 En toen hij had opgehouden te spreken, zeide hij tot Simon: Vaar naar de diepte, en werp uwe netten uit, opdat gij eene vangst doet.

5 En Simon antwoordde en zeide tot hem: Meester, wij hebben den geheelen nacht gearbeid en niets gevangen; maar op uw woord zal ik het net uitwerpen.

6 En toen zij dat deden, vingen zij eene groote menigte visschen, en hun net scheurde.

7 En zij wenkten hunne gezellen, die in het andere schip waren, dat zij zouden komen en hen helpen trekken; en zij kwamen, en vulden de beide schepen, zoodat zij bijna zonken.

37 En een roep van hem ging uit naar elke plaats van den omtrek.

38 Hij nu verliet de synagoge en kwam in het huis van Simon. De j schoonmoeder van Simon was be- j vangen door een zware koorts, en men vroeg hem voor haar om hulp.

39 Toen boog hij zich over haar heen en bestrafte de koorts. Deze verliet haar, en zij stond dadelijk ! op en bediende hen.

40 En tegen zonsondergang brach- i ten allen hun kranken, lijders aan allerlei kwalen, tot hem, en hij genas ze door hun éen voor een de handen op te leggen.

41 Ook voeren van velen duivelen uit, schreeuwend: Gij zijt de Zoon Gods! Maar nadrukkelijk verbood hij hun te spreken; omdat zij wisten dat hij de Christus was.

42 Toen het dag was geworden, ging hij naar buiten en begaf zich naar een eenzame plaats. De scharen zochten naar hem en hielden I hem tegen: hij zou toch niet van hen weggaan!

43 Maar hij zeide tot hen: Ook aan de overige steden moet ik de Blijmare van Gods Koninkrijk brengen; hiertoe immers ben ik gezonden ?

44 Zoo predikte hij dan in de synagogen van Judea.

Wonderbare vischvangst.

Roeping der eerste leerlingen. 1 Eens, toen de schare om hem heen drong en naar het woord Gods luisterde, terwijl hij aan het meer van Gennezaret stond,

2 zag hij twee booten aan den oever liggen; de visschers waren er uit gegaan en spoelden de netten.

3 Hij ging in een der booten, die aan Simon behoorde, en verzocht hem een weinig van het land af te steken. Nu ging hij op het vaartuig zitten en leerde van daar af de schare.

4 En toen hij zijn toespraak geeindigd had, zeide hij tot Simon: Steek van den oever af en werp de netten voor de vangst uit.

5 Simon antwoordde: Meester, den geheelen nacht hebben wij ondanks al onze moeite niets gevangen; maar op uw woord zal ik de netten uitwerpen.

6 En toen zij dit gedaan hadden, vingen zij in éen trek zooveel visschen dat de netten scheurden.

7 Zij wenkten hun makkers in de andere boot om hen te komen helpen. Die kwamen, en nu vulden zij beide booten tot zinkens toe.