is toegevoegd aan uw favorieten.

Het Nieuwe Testament in zes Nederlandse vertalingen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

15 Matthéüs en Thomas, Jakobus 15 Jakobus, den zoon van Alfeüs, 15 Mattheüs en Thomas, Jacobus den zoon van Alféüs, en Simon Simon, genaamd Zelotes, Judas, den zoon van Alfeüs en Simon bijgenaamd Zelótes; den zoon van Jakobus, genaamd de IJveraar,

16 Judas Jakobi, en Judas Iské.- 16 en Judas Iskariot, die zijn ver- 16 Judas den zoon van Jacobus riot, die ook de verrader gewor- rader geworden is. en Judas Iskariot, die een verraden is. Mare. 3 : 13—19. Matth. 10 : l—4. der geworden is.

De bergrede.

17 En met hen afgekomen zijnde, stond Hij op eene vlakke plaats, en met Hem de schare Zijner discipelen, en eene groote menigte des volks van geheel Judéa en Jeruzalem, en van den zeekant van Tyrus en Sidon;

Matt. 4 : 25. Mark. 3 : 7.

18 Die gekomen waren, om Hem te hooren, en om van hunne ziekten, genezen te worden, en die van onreine geesten gekweld waren; en zij werden genezen.

19 En al de schare zocht Hem aan te raken; want er ging kracht van Hem uit, en Hij genas ze allen.

Mark. 5 : 30.

20 En Hij, Zijne oogen opslaande over Zijne discipelen, zeide: Zalig zijt gij, armen! want uwer is het Koninkrijk Gods. Matt. 5 : 2.

21 Zalig zijt gij, die nu hongert; want gij zult verzadigd worden. Zalig zijt gij, die nu weent; want gij zult lachen.

Jes. 65 : 13. Jes. 61 : 3. 66 : 10.

22 Zalig zijt gij, wanneer u de menschen haten, en wanneer zij u afscheiden, en smaden, en uwen naam als kwaad verwerpen, om des Zoons des menschen wil.

Matt. 5 : 11. 1 Petr. 2 : 19. 3 : 14. 4 : 14.

23 Verblijdt u in dien dag, en zijt vroolijk; want, ziet, uw loon is groot in den hemel; want hunne vaders deden desgelijks den profeten.

Hand. 5 : 41. Hand. 7 : 51.

De Bergrede.

17 En hij ging af met hen, en trad op eene vlakke plaats in het veld, met de schaar zijner jongeren, en eene groote menigte volks uit geheel Judéa en Jeruzalem, en van de zeekust van Tyrus en Sidon,

18 die gekomen waren om hem te hooren en om genezen te worden van hunne ziekten, en die door onreine geesten gekweld werden; en zij werden gezond.

19 En al het volk begeerde hem aan te raken; want er ging kracht van hem uit, en hij genas hen allen. Matth. 1 : 24, 25. Mare. 3 : 7—12.

De zaligsprekingen.

20 En hij hief zijne oogen op over zijne jongeren, en zeide: Zalig zijt gij armen, want uwer is het rijk Gods.

21 Zalig zijt gij, die nu hongert, want gij zult verzadigd worden. Zalig zijt gij, die nu weent, want gij zult lachen.

22 Zalig zijt gij, als de menschen u haten, en u afscheiden en u smaden, en uwen naam als kwaad verwerpen, om des Menschen Zoons wil.

23 Verheugt u alsdan en zijt vroolijk; want ziet uw loon is groot in den hemel; want evenzoo hebben hunne vaders ook den profeten gedaan.

17 Met hen daalde hij af en bleef op een vlakte staan met een talrijke schare leerlingen en een groote menigte volks uit geheel Judea, Jeruzalem en de kuststreek van Tyrus en Sidon,

18 die gekomen waren om hem te hooren en van hun ziekten genezen te worden. En toen zij die door onreine geesten gekweld waren genezen werden,

19 zocht de geheele schare hem aan te raken; want er ging kracht van hem uit, en hij genas allen.

Beloften,

waarschuwingen, geboden.

zu in u sioeg nij ue oogen op, vestigde ze op zijn leerlingen en sprak: Zalig gij armen; want uwer is het Koninkrijk Gods.

21 Zalig gij die nu honger lijdt; want gij zult verzadigd worden. Zalig gij die nu weent; want gij zult lachen.

22 Zalig zijt gij wanneer de menschen u haten, wanneer zij u om den Menschenzoon afsnijden en smaden, en uw naam als een onheilspeilenden niet willen hooren.

23 Te dien dage moogt gij van vreugde opspringen; want zie, uw loon in den hemel is groot; desgelijks toch deden hun vaderen

pn r r TP nn

24 Maar wee u, gij rijken! want gij hebt uwen troost weg.

Amos 6 : 1, 8.

26 Wee u, die verzadigd zijt! want gij zult hongeren, Wee u, die nu lacht! want gij zult treuren en weenen.

Jes. 65 : 13. Jacob. 4 : 9. 5 : 1. 26 Wee u, wanneer al de menschen wel van u spreken! want hunne vaders deden desgelijks den valschen profeten.

27 Maar Ik zeg ulieden, die dit hoort: Hebt uwe vijanden lief; doet wel dengenen, die u haten.

Ex. 23 : 4. Spr. 25 : 21. Matt. 5 : 44. Rom. 12 : 20. 1 Kor. 4 : 12.

28 Zegent degenen, die u vervloeken, en bidt voor degenen, die u geweld doen.

Luk. 23 : 34. Hand. 7 : 60.

29 Dengene, die u aan de wang slaat, biedt ook de andere; en dengene, die u den mantel neemt, verhindert ook den rok niet te nemen. l Kor. 6 : 7.

30 Maar geeft een iegelijk, die van u begeert; en van dengene, die het uwe neemt, eischt niet weder.

Deut. 15 : 7. Matt. 5 : 42.

31 En gelijk gij wilt, dat u de menschen doen zullen, doet gij hun ook desgelijks. Matt. 7 : 12.

24 Maar wee u gij rijken, want gij hebt uwen troost weg!

25 Wee u, die verzadigd zijt, want gij zult hongeren! Wee u, die nu lacht, want gij zult weenen en klagen!

26 Wee u, wanneer iedereen goed van u spreekt, want evenzoo deden hunne vaders ook den valschen profeten!

Matth. 5 : 1—12.

Over den omgang met anderen.

27 Maar ik zeg u, die aanhoort: Hebt uwe vijanden lief, doet wèl dengenen die u haten,

Matth. 5 : 44.

28 zegent degenen die u vloeken, bidt voor degenen die u leed aandoen.

29 En wie u slaat op de eene wang, bied dien ook de andere; en wie u den mantel neemt, weiger dien ook den rok niet.

Matth. 5 : 39—42.

30 Geef dengeen die u bidt; en wie u het uwe neemt, eisch het van dien niet weder.

31 En gelijk gij wilt, dat u de menschen doen zullen, doet gij hun ook zoo. Matth. 7 : 12.

24 Maar wee u, gij rijken; want

pri hpht uw trnnst nntvanp-pn

o*J — ~ w~—* o

25 Wee u die nu verzadigd zijt; want grii zult honsrer liiden. Wee

u die nu lacht; want gij zult rouw bedrijven en weenen.

26 Wee u wanneer alle menschen wel van u spreken; want desge¬

lijks deden hun vaderen van de

vaiscne proleten.

27 Maar u die mij hoort zeg ik: Hebt uw viianden lief. doet uw

haters wel,

28 zegent wie u vloeken, bidt voor wie u mishandelen.

29 Keer hem die u op de eene wang slaat ook de andere toe en onthoud hem die uw bovenkleed wegneemt ook het onderkleed niet.

30 Geef aan ieder die iets van u vraagt en eisch het uwe niet terug van hem die het weggenomen heeft.

31 En zooals gij wilt dat de menschen u doen, doet hun desgelijks.