is toegevoegd aan uw favorieten.

Het Nieuwe Testament in zes Nederlandse vertalingen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

15 Jakobus, den zoon van Alfeüs, en Simon, die ook den naam Zelótes draagt; Judas, den zoon van Jakobus,

16 en Judas Iskariot, die een verrader werd.

17 En hij daalde met hen af en ging staan op een vlak gedeelte; en daar was een talrijke schare van zijn leerlingen, en een groote menigte van het volk uit het geheele Joodsche land en uit Jeruzalem

18 en uit de kuststreek van Tyrus en Sidon, die kwamen, om hem te hooren en om genezen te worden van hunne ziekten. En zij die door onreine geesten gekweld werden, vonden genezing;

19 en al de scharen zochten hem aan te raken, omdat er kracht van hem uitging, die allen genas.

De zaligsprekingen.

20 En hij sloeg zijn oogen op, zag zijn discipelen aan en zeide: Zalig zijt gij, armen, want uwer is het koninkrijk Gods.

21 Zalig zijt gij die nu hongert, want gij zult verzadigd worden. Zalig zijt gij die nu weent, want gij zult lachen.

22 Zalig zijt gij, wanneer de mensehen u haten, en wanneer zij u uitstooten, en uwen naam als iets duivelsch beschimpen en uitbannen, ter wille van den zoon des menschen.

23 Te dien dage moogt gij opspringen van vreugde; want ziet, uw loon is groot in den hemel: want op gelijke wijze handelden hunne vaderen met de profeten.

De bedreigingen.

24 Maar wee u, gij rijken, want gij hebt reeds daarin uw vertroosting ontvangen.

25 Wee u, gij die nu verzadigd zijt, want gij zult honger lijden. Wee u, gij die nu lacht, want gij zult treuren en weenen.

26 Wee u, wanneer al de menschen goed van u spreken; want op gelijke wijze handelden hunne vaderen met de leugenprofeten.

Het nieuwe leven der liefde.

27 Maar tot u, die mij aanhoort, zeg ik: Hebt uwe vijanden lief, doet wel dengenen die u haten,

28 zegent hen die u vervloeken, bidt voor hen die u krenken.

29 Wie u op de eene wang slaat, bied hem ook de andere; en dengene die uwen mantel neemt, belet hem niet ook den lijfrok te nemen.

30 Geef aan een ieder, die van u vraagt, en vraag niet terug van hem, die het uwe neemt.

31 En gelijk gij wilt, dat u de menschen doen, doet gij hun desgelijks.

15 Matteüs en Tomas; Jakobus van Alfeüs, en Simon, bijgenaamd de IJveraar,

16 Judas (broer) van Jakobus, en Judas Iskariot, die een verrader werd.

Matt. 10 : 1—4. Mark. 3 : 7—19.

De veldrede. Inleiding.

17 Nu daalde Hij met hen af, en bleef op een vlakte staan. Daar bevond zich ook een talrijke groep van zijn leerlingen en een grote volksmenigte uit heel Judea en Jerusalem, en uit het kustland van Tyrus en Sidon,

18 die gekomen waren, om Hem te horen en van hun kwalen genezen te worden. Allen, die door onreine geesten werden gekweld, werden genezen.

19 En al het volk zocht Hem aan te raken; want er ging een kracht van Hem uit, die allen genas.

Zaligspreking en wes.

20 Nu sloeg Hij zijn ogen op naar zijn leerlingen, en sprak: Zalig gij armen; want aan u behoort het koninkrijk Gods.

21 Zalig gij, die thans honger lijdt; want gij zult worden verzadigd. Zalig gij, die nu weent; want gij zult lachen.

22 Zalig zijt gij, wanneer de mensen u haten, u om den Mensenzoon uitbannen en honen, en smaad werpen op uw naam.

23 Verheugt u op die dag en jubelt; ziet, uw loon is groot in de hemel. Want zó hebben hun vaders de profeten behandeld.

24 Maar wee u, rijken; want gij hebt uw troost al ontvangen.

25 Wee u, die thans zijt verzadigd; want gij zult honger lijden. Wee u, die nu lacht; want gij zult treuren en wenen.

26 Wee u, wanneer alle mensen u prijzen; want zó hebben hun vaders met de valse profeten gedaan.

Hebt uw vijanden lief. 27 Maar Ik zeg tot u, die naar Mij luistert: Bemint uw vijanden; doet wel aan die u haten;

28 zegent die u vloeken; bidt voor wie u lasteren.

29 Wie u op de ene wang slaat, keer hem ook de andere toe; en wie u van de mantel berooft, weiger hem ook het onderkleed niet.

30 Geeft aan ieder die iets van u vraagt, en eis het uwe niet terug van hem, die het neemt.

31 En zoals gij wilt, dat de mensen u doen, doet het ook aan hen.

en Matthéüs en Thomas, [en] Jacobus, den zoon van Alphéüs, en Simon, bijgenaamd den Zeloot,

16 en Judas, den zoon van Jacobus, en Judas Iskariot, die de verrader geworden is.

Matth. 10 : 2—4. Mare. 3 : 13—19.

17 En Hij daalde met hen af en bleef staan op een vlakke plaats en (daar) was een grote schare van zijn discipelen en een grote menigte volks uit het gehele Joodse land en Jeruzalem en van Tyrus en Sidon aan de zee,

18 die gekomen waren om Hem te horen en genezen te worden van hun ziekten; en die gekweld werden door onreine geesten werden genezen.

19 En de gehele schare trachtte Hem aan te raken, omdat er kracht van Hem uitging en Hij allen genas. Mare. 3 : 7—10.

Zaligsprekingen en bedreigingen.

20 En Hij hief zijn ogen op naar zijn discipelen en zeide: Zalig, gij armen, want uwer is het Koninkrijk Gods.

21 Zalig, gij, die nu hongert, want gij zult verzadigd worden. Zalig, gij, die nu weent, want gij zult lachen.

22 Zalig zijt gij, wanneer u de mensen haten en wanneer zij u uitstoten, en smaden en uwen naam als slecht verwerpen ter wille van den Zoon des mensen.

23 Verblijdt u te dien dage en springt op van vreugde, want, zie, uw loon is groot in den hemel; immers, op dezelfde wijze hebben hun vaderen met de profeten gehandeld.

24 Maar wee u, gij rijken, want gij hebt uw vertroosting reeds.

25 Wee u, die nu overvloed hebt, want gij zult hongeren. Wee u, die nu lacht, want gij zult smart hebben en wenen.

26 Wee u, wanneer alle mensen wél van u spreken; immers, op dezelfde wijze hebben hun vaderen met de valse profeten gehandeld. Matt. 5 : 3—12.

De wet der liefde.

27 Maar tot u, die Mij hoort, zeg Ik: Hebt uw vijanden lief, doet wel dengenen, die u haten;

28 zegent wie u vervloeken; bidt voor wie u smadelijk behandelen.

29 Slaat iemand u op uw wang, keer hem ook de andere toe', neemt iemand u uw mantel af, laat hem ook het hemd nemen.

30 Vraagt iemand iets van u, geef het hem; neemt iemand het uwe, vraag het niet terug.

31 En gelijk gij wilt, dat u de mensen doen, doet gij hun alzo.