Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

40 En Jezus richtte zich tot hem en zeide: Simon, ik heb u wat te zeggen. En hij zeide: Meester, zeg het. Jezus sprak:

41 Een schuldheer had twee schuldenaren; de een was vijfhonderd zilverstukken schuldig, de ander vijftig.

42 Daar zij echter niet bij machte waren, om te betalen, schold hij het hun beiden kwijt. Wie van hen zal hem nu het meest liefhebben?

43 Simon antwoordde: Ik veronderstel, diegene aan wien hij het meest kwijtgescholden heeft. Hij zeide tot hem: Gij hebt juist geoordeeld.

44 En terwijl hij zich naar de vrouw wendde, zeide hij tot Simon: Ziet gij deze vrouw? Ik ben in uw huis gekomen: water voor de voeten hebt gij mij niet gegeven, maar zij heeft mijn voeten met hare tranen nat gemaakt en met heur haren afgedroogd;

45 een kus hebt gij mij niet gegeven, maar zij heeft, van dat zij binnenkwam, niet opgehouden, mijn voeten te kussen;

46 met olie hebt gij mijn hoofd niet gezalfd, maar zij heeft met mirre mijn voeten gezalfd.

47 Daarom zeg ik u: hare zonden, die vele zijn, zijn haar vergeven; want zij heeft groote liefde getoond. Doch hij wien weinig vergeven is, toont weinig liefde.

48 En tot haar zeide hij: Uwe zonden zijn u vergeven.

49 En de dischgenooten begonnen bij zichzelf te zeggen: Wie is hij, dat hij zelfs zonden vergeeft?

50 Maar hij zeide tot de vrouw: Uw geloof heeft u behouden, ga heen in vrede.

Jezus' verdere verkondiging van

het woord Gods. De vrouwen die Jezus op zijne reis dienden. 1 En het geschiedde daarna, dat hij het land doortrok van stad tot stad en van dorp tot dorp, terwijl hij overal de vreugdeboodschap verkondigde van het koninkrijk Gods; en met hem waren de twaalven,

2 en ook eenige vrouwen, die genezen waren van booze geesten en van ziekten, namelijk Maria, die ook Magdalena genoemd werd, uit wie zeven booze geesten waren uitgegaan,

3 en Johanna, de vrouw van Chuzas, een rentmeester van Herodes, en Suzanna en vele anderen, die hem dienden met hare goederen.

De gelijkenis van den zaaier.

4 Toen nu een talrijke schare samenstroomde, namelijk van hen, die van stad tot stad zich bij hem voegden, sprak hij door een gelijkenis:

5 Een zaaier ging uit, om zijn zaad te zaaien. En toen hij zaaide, viel een deel langs den weg; en het werd vertreden en de vogelen des hemels aten het op.

6 En een ander deel viel op de steenrots; en uitgesproten, verdorde het, omdat het geen vocht kreeg.

40 Nu nam Jesus het woord en sprak tot hem: Simon, Ik heb u iets te zeggen. Hij zeide: Spreek Meester.

41 Een geldschieter had twee schuldenaars; de een was hem vijfhonderd tienlingen schuldig, de andere vijftig.

42 Daar ze niet konden betalen, schold hij het beiden kwijt. Wie van de twee zal nu het meest van hem houden?

43 Simon antwoordde: Ik vermoed: hij, wien hij het meest heeft kwijtgescholden. Hij zei hem: Ge hebt juist geoordeeld.

44 Nu keerde Hij Zich naar de vrouw, en sprak tot Simon: Ziet ge die vrouw? Ik ben in üw huis gekomen; gij goot geen water op mijn voeten, maar zij heeft mijn voeten met haar tranen besproeid en met de haren afgedroogd.

45 Gij hebt Mij geen kus gegeven; maar zij heeft, sinds Ik binnenkwam, niet opgehouden, mijn voeten te kussen.

46 Gij hebt mijn hoofd niet met olie gezalfd, maar zij heeft mijn voeten met balsem gezalfd.

47 En daarom zeg Ik u: Haar zonden, haar vele zonden zijn haar vergeven; want ze heeft veel liefde getoond. Wien weinig vergeven wordt, toont weinig liefde.

48 Nu sprak Hij tot haar: Uw zonden zijn u vergeven.

49 De disgenoten begonnen, bij zichzelf te zeggen: Wie is Hij, dat Hij zelfs zonden vergeeft?

50 Maar hij zei tot de vrouw: Uw geloof heeft u gered, ga heen in vrede. Matt. 26 : 6—13. Mark. 14 : 3—9.

Joh. 12 : l—ll.

De gelovige vrouwen in Jesus' dienst. 1 Daarna ging Hij rond door steden en dorpen, om te preken en het koninkrijk Gods te verkondigen. Hij was vergezeld van het twaalftal,

2 en van enige vrouwen, die van boze geesten en ziekten waren verlost: Maria, Magdalena geheten, uit wie zeven duivels waren uitgegaan,

3 Johanna, de vrouw van Choesa, den hofmeester van Herodes, Susanna en vele anderen, die hun met haar vermogen ten dienste stonden.

Gelijkenis van den zaaier.

4 Toen er eens een grote menigte bijeen was, daar men uit alle steden naar Hem was toegestroomd, sprak Hij in een gelijkenis:

5 De zaaier ging uit, om zijn zaad te zaaien. En onder het zaaien viel een gedeelte langs de weg; het werd vertrapt, en de vogels uit de lucht pikten het op.

6 Een ander gedeelte viel op de rots; even kwam het op, maar verdorde omdat het geen vocht had.

40 En Jezus antwoordde en zeide tot hem: Simon, Ik heb u iets te zeggen. Hij zeide: Meester, zeg het.

41 Een schuldeiser had twee schuldenaars. De een was hem vijfhonderd schellingen schuldig, de ander vijftig.

42 Toen zij niet konden betalen, schonk hij het hun beiden. Wie van hen zal hem dan het meest liefhebben ?

43 Simon antwoordde en zeide: Ik onderstel, hij, wien hij het meeste geschonken heeft. Hij zeide tot hem: Gij hebt juist geoordeeld.

44 En zich tot de vrouw wendende, zeide Hij tot Simon: Ziet gij deze vrouw? Ik ben in uw huis gekomen; water voor mijn voeten hebt gij Mij niet gegeven, maar zij heeft met tranen mijn voeten nat gemaakt en ze met haar haren afgedroogd.

45 Een kus hebt gij Mij niet gegeven, maar zij heeft, van dat Ik binnen gekomen ben, niet opgehouden mijn voeten te kussen.

46 Met olie hebt gij mijn hoofd niet gezalfd, maar zij heeft met mirre mijn voeten gezalfd.

47 Daarom zeg Ik u: Haar zonden zijn haar vergeven, al waren zij vele, want zij heeft veel liefde betoond; maar wien weinig vergeven wordt, die betoont weinig liefde.

48 En Hij zeide tot haar: Uw zonden zijn u vergeven.

49 En die met Hem aan tafel waren, begonnen bij zichzelf te zeggen: Wie is deze, dat Hij zelfs de zonden vergeeft?

50 En Hij zeide tot de vrouw: Uw geloof heeft u behouden, ga heen in vrede!

De vrouwen, die Jezus dienden. 1 En het geschiedde kort daarna, g dat Hij van stad tot stad en van dorp tot dorp trok, verkondigende het evangelie van het Koninkrijk Gods, en de twaalven met Hem,

2 en enige vrouwen, die genezen waren van boze geesten en van ziekten: Maria, genaamd Magdalena, van wie zeven boze geesten uitgegaan waren,

3 en Johannes, de vrouw van Chuzas, den rentmeester van Herodes, en Suzanna en vele andere, die Hem dienden met hetgeen zij bezaten.

De gelijkenis van den zaaier.

4 Toen er nu veel volk samenstroomde en uit elke stad mensen tot Hem kwamen, sprak Hij door een gelijkenis:

5 De zaaier ging uit om zijn zaad te zaaien. En bij het zaaien viel een deel langs den weg en het werd vertrapt en de vogelen des hemels aten het op.

6 En een ander deel viel op den rotsbodem, en toen het opkwam, verdorde het, omdat het geen vochtigheid had.

Sluiten