Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

7 En een ander deel viel te midden der doornen; en de doornen wiessen mede op en verstikten het.

8 En een ander deel viel in de goede aarde; en uitgesproten, droeg het honderdvoudige vrucht. Toen hij dit zeide, riep hij luid: Wie ooren heeft om te hooren, die hoore.

7 Een ander gedeelte viel tussen de doornen; en de doornen schoten mede op, en verstikten het.

8 Een ander gedeelte viel op de goede aarde; het schoot op, en droeg honderdvoudige vrucht. Na deze woorden riep Hij uit: Wie oren heeft, om te horen, hij hore.

7 En een ander deel viel midden tussen de dorens, en de dorens kwamen tegelijk op en verstikten het.

8 Een ander deel viel in goede aarde, en toen dat opgekomen was, bracht het honderdvoudige vrucht voort. Dit zeggende, riep Hij: Wie oren heeft om te horen, die hore.

9 En zijn discipelen vroegen hem, wat deze gelijkenis beteekende.

10 En hij zeide: U is het gegeven de verborgenheden van het koninkrijk Gods te verstaan; maar tot de anderen spreek ik in gelijkenissen, opdat zij, ofschoon zij zien, niets zien, en ofschoon zij hooren, niets verstaan.

9 Zijn leerlingen vroegen Hem naar de zin der gelijkenis.

10 Hij sprak: U is het gegeven, de geheimen te kennen van het koninkrijk Gods, maar tot de overigen wordt in parabels gesproken; opdat ze zouden zien en niet inzien, zouden horen en niet verstaan.

9 Zijn discipelen vroegen Hem, welke de bedoeling van deze gelijkenis was.

10 En Hij zeide: U is het gegeven de geheimenissen van het Koninkrijk Gods te kennen, maar aan de anderen (worden zij gepredikt) in gelijkenissen, opdat zij ziende niet zien en horende niet begrijpen.

Jes. 6 : 9.

11 Dit nu beteekent de gelijkenis: Het zaad is het woord Gods.

11 Dit is de zin der gelijkenis: Het zaad is Gods woord.

11 Dit is de gelijkenis: Het zaad is het woord Gods.

12 Die langs den weg, zijn zij, die het gehoord hebben; daarna komt de duivel en neemt het woord uit hun hart weg, opdat zij niet zouden geloven en behouden worden.

13 Die op den rotsbodem, zijn zij, die, zodra zij horen, het woord met blijdschap ontvangen; en dezen hebben geen wortel, zij geloven voor een tijd en in een tijd van beproeving worden zij afvallig.

14 Wat in de dorens viel, dat zijn zij, die het gehoord hebben; en levende in zorgen en rijkdom en lusten des levens, worden zij daardoor verstikt en zij brengen geen vrucht voort.

15 Dat in goede aarde, dat zijn zij, die, met een goed en vroom hart het woord gehoord hebbende, dat vasthouden en vrucht dragen in volharding.

Matth. 13 : 1—13. 18—'23. Mare. 4 : 1—20.

Het ware horen. IS Niemand steekt een lamp aan en bedekt die met een vat of zet haar onder een bed, maar hij zet haar op een standaard, opdat wie binnentreden het licht mogen zien.

17 Want er is niets verborgen, dat niet aan het licht zal komen, en niets geheim, dat niet zal bekend worden en aan het licht komen.

18 Ziet dan toe, hoe gij hoort. Want wie heeft, dien zal gegeven worden, en wie niet heeft, ook wat hij meent te hebben, zal hem ontnomen worden.

Matth. 5 : 15. 10 : 26. 13 : 12.

Mare. 4 : 21—25.

Jezus en zijn verwanten.

19 Zijn moeder en broeders kwamen tot Hem en zij konden Hem niet bereiken vanwege de schare.

12 En zij die langs den weg bezaaid zijn, zijn degenen die het gehoord hebben; vervolgens komt de duivel en neemt het woord uit hun hart weg, opdat zij niet tot geloof komen en behouden worden.

13 En zij die op de steenrots bezaaid zijn, zijn degenen die, wanneer zij het woord hooren, het met vreugde aanvaarden; en dezen hebben geen wortel, daar zij slechts voor een oogenblik gelooven en in den tijd der beproeving afvallen.

14 En wat in de doornen gevallen is, dat zijn degenen die het gehoord hebben; en op hun verderen weg worden zij verstikt door zorgen en rijkdom en lusten des levens, en zij dragen geen rijpe vrucht.

15 En wat in goede aarde gevallen is, dat zijn degenen die, wanneer zij het woord hebben gehoord, het in een rechtschapen hart bewaren en vrucht dragen in standvastigheid.

De verantwoordelijkheid van het hooren.

16 Niemand die een lamp aansteekt, bedekt haar met vaatwerk of plaatst haar onder een rust¬

bank; maar hij zet haar op een luchter, opdat zij die binnenkomen, het licht kunnen zien.

17 Want er is niets verborgen, dat niet openbaar zal worden; en er is niets aan het oog onttrokken, dat niet bekend zal worden en aan het licht treden.

18 Ziet dus toe, hoe gij luistert. Want zoo wie heeft, hem zal gegeven worden; en zoo wie niet heeft, hem zal ontnomen worden ook wat hij meent te hebben.

Het zaad in goede aarde. 19 En zijne moeder en zijne broeders kwamen tot hem, maar zij konden hem niet bereiken wegens de volksmenigte.

12 Het zaad langs de weg zijn zij, die het woord wel horen; maar dan komt de duivel en neemt het weg uit hun hart, opdat ze niet zouden geloven en worden gered.

13 Het zaad op de rots zijn zij, die het woord met vreugde aanvaarden, zodra ze het horen, maar die geen wortel hebben geschoten; een tijd lang geloven ze wel, maar in de tijd der beproeving vallen ze af.

14 Het zaad, dat tussen de doornen valt, zijn zij, die wel hebben geluisterd, maar die gaandeweg door de zorgen, de rijkdom en de genoegens van het leven zich laten verstikken, en nooit tot rijpheid komen.

15 Maar het zaad, dat in de goede aarde valt, zijn zij, die met een goed en edel hart het woord vernemen, het aanvaarden, en het vrucht doen dragen door te volharden.

Matt. 13 : 1—23. Mark. 4 : 1—20.

De lamp onder de korenmaat.

16 Niemand steekt een lamp aan, en verbergt ze onder een bak, of zet ze onder een bed; maar hij plaatst ze op de kandelaar, opdat wie binnenkomt, het licht kan zien.

17 Want niets is verborgen, of het zal worden geopenbaard; en niets is geheim, of het wordt bekend en het komt aan het licht.

18 Let er dus op, hoe gij luistert. Want wie heeft, hem zal gegeven worden; en wie niet heeft, hem zal ook nog ontnomen worden, wat hij meent te bezitten.

Mark. 4 : 21—25.

Jesus' ware verwanten.

19 Nu kwamen zijn moeder en broeders naar Hem toe, maar door de menigte konden ze Hem niet bereiken.

Sluiten