is toegevoegd aan uw favorieten.

Het Nieuwe Testament in zes Nederlandse vertalingen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

38 En ziet, een man van de schare riep uit, zeggende: Meester! ik bid U, zie toch mijnen zoon aan; want hij is mij een eeniggeborene.

39 En zie, een geest neemt hem, en van stonde aan roept hij, en hij scheurt hem, dat hij schuimt, en wijkt nauwelijks van hem, en verplettert hem.

40 En ik heb Uwe discipelen gebeden, dat zij hem zouden uitwerpen, en zij hebben niet gekund.

41 En Jezus, antwoordende, zeide: O ongeloovig en verkeerd geslacht! hoe lang zal Ik nog bij ulieden zijn, en ulieden verdragen? Breng uwen zoon hier.

42 En nog, als hij naar Hem toekwam, scheurde hem de duivel, en verscheurde hem; maar Jezus bestrafte den onreinen geest, en maakte het kind gezond, en gaf hem zijnen vader weder.

Tweede

aankondiging van het lijden. 43 En zii werden allen verslagen

over de grootdadigheid Gods. En als zij allen zich verwonderden over al de dingen, die Jezus gedaan had, zeide Hij tot Zijne discipelen:

44 Legt gij deze woorden in uwe ooren: Want de Zoon des menschen zal overgeleverd worden in der menschen handen.

Matt. 17 : 22. Mark. 9 : 31.

45 Maar zij verstonden dit woord niet, en het was voor hen verborgen, alzoo dat zij het niet begrepen; en zij vreesden van dat woord Hem te vragen.

Luk. 2 : 50. 18 : 34.

De grootste in het koninkrijk der hemelen.

46 En er rees eene overlegging onder hen, namelijk, wie van hen de meeste ware.

Matt. 18 : 1. Mark. 9 : 33. Luk. 22 : 24.

47 Maar Jezus, ziende de overlegging hunner harten, nam een kindeken, en stelde dat bij Zich;

48 En zeide tot hen: Zoo wie dit kindeken ontvangen zal in Mijnen Naam, die ontvangt Mij; en zoo wie Mij ontvangen zal, ontvangt Hem, Die Mij gezonden heeft. Want die de minste onder u allen is, die zal groot zijn.

Matt. 18 : 5. Mark. 9 : 37. Joh. 13 : 20. Luk. 10 : 16. Joh. 13 : 20. Matt. 23 : 11.

Luk. 14 : 11. 18 : 14.

49 En Johannes antwoordde en zeide: Meester! wij hebben eenen gezien, die in Uwen Naam de duivelen uitwierp, en wij hebben het hem verboden, omdat hij U met ons niet volgt. Mark. 9 : 38.

50 En Jezus zeide tot hem: Verbied het niet; want wie tegen ons niet is, die is voor ons.

Matt. 12 : 30. Luk. 11 : 23.

51 En het geschiedde, als de dagen Zijner opneming vervuld werden, zoo richtte Hij Zijn aangezicht, om naar Jeruzalem te reizen. Mark. 16 : 19. Hand. 1 : 2. 1 Tim. 3 : 16.

38 En zie, een man onder het volk riep, en zeide: Meester, ik bid u, zie toch mijnen zoon aan; want hij is mijn eenige zoon.

sy üie, een geest grijpt nem aan, en plotseling schreeuwt hij, en hij sleurt hem heen en weer, zoodat hij schuimt, en ternauwernood wijkt hij van hem, wanneer hij hem mishandeld heeft.

40 En ik heb uwe jongeren gebeden, dat zij hem zouden uitdrijven, maar zij konden niet.

41 Toen antwoordde Jezus en zeide: O gij ongeloovig en verkeerd geslacht, hoelang zal ik bij u zijn en u verdragen ? Breng uwen zoon hier.

42 En toen hij tot hem kwam, scheurde de duivel hem en trok hem heen en weder; maar Jezus bedreigde den onreinen geest, en maakte den jongen gezond, en gaf hem zijnen vader weder. En zij ontzetten zich allen over de heerlijkheid Gods.

Matth. 17 : 14—23. Mare. 9 : 14—32.

Tweede lijdensaankondiging.

43 En toen zij zich allen verwonderden over al wat hij deed, zeide hij tot zijne jongeren:

44 Legt gij deze woorden in uwe ooren! Want des Menschen Zoon zal overgeleverd worden in de handen der menschen.

45 Maar dat woord verstonden zij niet, en het was voor hen verborgen, zoodat zij het niet begrepen; en zij vreesden hem wegens dat woord te vragen.

Twistvraag onder de discipelen. Kin er kwam eene gredachte

onder hen op, wie van hen de grootste ware.

47 Maar toen Jezus de gedachte hunner harten zag, nam hij een kind en stelde het naast zich,

48 en zeide tot hen: Wie dit kind aanneemt in mijnen naam, die neemt mij aan; en wie mij aanneemt, die neemt dengene aan, die mij gezonden heeft. Want wie de kleinste onder u allen is, die zal groot zijn.

49 Toen antwoordde Johannes en zeide: Meester, wij zagen iemand, die in uwen naam de duivelen uitdreef, en wij verboden het hem, want hij volgt u niet met ons.

50 En Jezus zeide tot hem: Verbied het niet: want wie niet tegen ons is, is voor ons.

Matth. 18 : 1—5. Mare. 9 : 33—40.

De Samaritanen willen Jezus niet ontvangen.

51 En het geschiedde, toen de tijd vervuld was, dat hij van hier genomen zou worden, dat hij zijn aangezicht keerde, om naar Jeruzalem te reizen.

8 en een man uit de schare riep: feester, ik bid u, zie naar mijn ioon om; het is mijn eenig kind,

9 en een geest grijpt hem aan, chreeuwt het plotseling uit, trekt iem heen en weer, zoodat het chuim hem op den mond staat, :n houdt bijna niet op hem te mislandelen.

0 Ik heb uw leerlingen verzocht tem uit te drijven, maar zij konten het niet doen.

1 En Jezus gaf ten antwoord: ) ongeloovig en ontaard geslacht, ïoelang zal ik nog bij u zijn en u verdragen ? Breng uw zoon hier.

2 En terwijl hij naderkwam, icheurde de duivel hem en sleurde ïem heen en weer. Maar Jezus >edreigde den onreinen geest, geïas den knaap en gaf hem aan ;ijn vader weer.

13 Allen stonden versteld over ïods majesteit. Toen nu allen zich /erwonderden over alwat hij deed, reide hij tot zijn leerlingen:

14 Onthoudt deze dingen goed; want de Menschenzoon zal overgeleverd worden in de handen der menschen.

15 Zij nu begrepen dit woord niet, sn het was hun een raadsel, zoo3at zij het niet verstonden, en zij schroomden hem daarover iets te vragen.

De grootste in het Koninkrijk der Hemelen.

46 Eens rees de vraag bij hen op, wie van hen de grootste was.

47 En Jezus, die wist wat in hun hart omging, nam een kind, plaatste het bij zich

48 en zeide tot hen: Wie dit kind ontvangt met vermelding van mijn naam ontvangt mij, en wie mij ontvangt ontvangt mijn Zender; want wie de minste onder u allen is, die is groot.

49 Toen antwoordde Johannes: Heer, wij zagen iemand met uw naam duivelen uitwerpen en hebben het hem verboden, omdat hij niet met ons u volgt.

50 Maar Jezus zeide tot hem: Verbied het hem niet; want wie niet tegen ons is is vóór ons.

Jezus tegenover leerlingen en Samaritanen.

51 Toen de tijd die voor zijn hemelvaart moest verloopen welhaast ten einde was, besloot hij naar Jeruzalem te gaan,