is toegevoegd aan uw favorieten.

Het Nieuwe Testament in zes Nederlandse vertalingen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

der; en wie de Vader is, dan de Zoon, en dien het de Zoon zal willen openbaren.

Ps. 8 : 7. Joh. 3 : 35. 17 : 2. 1 Kor. 15 :27.

Filipp. '2 : 10. Hebr. 2 : 8 Joh. 1 : 18. 6 : 44, 46

23 En Zich keerende naar de discipelen, zeide Hij tot hen alleen: Zalig- zijn de oogen, die zien, hetgeen gij ziet. Matt. 13 : 16.

24 Want Ik zeg u, dat vele profeten en koningen hebben begeerd te zien, hetgeen gij ziet, en hebben het niet gezien; en te hooren, hetgeen gij hoort, en hebben het niet gehoord.

1 Petr. 1 : 10.

Gelijkenis van den barmhartigen Samaritaan.

25 En ziet, een zeker Wetgeleerde stond op, Hem verzoekende, en zeggende: Meester! wat doende zal ik het eeuwige leven beërven ?

20 En Hij zeide tot hem: Wat is in de wet geschreven? Hoe leest gij?

27 En hij, antwoordende, zeide: Gij zult den Heere, uwen God, liefhebben, uit geheel uw hart, en uit geheel uwe ziel, en uit geheel uwe kracht en uit geheel uw verstand; en uwen naaste als uzelven. naaste als uzelf.

Deut. 6 : 5. 10 : 12. 30 : 6. Lev. 19 : 18 Rom. 13 : 9. Gal. 5 : 14. Jakob. 2 : 8

28 En Hij zeide tot hem: Gij hebt recht geantwoord; doe dat, en gii zult leven. &J

29 Maar hij, willende zichzelven rechtvaardigen, zeide tot Jezus: En wie is mijn naaste?

30 En Jezus, antwoordende, zeide: Een zeker mensch kwam af van Jeruzalem naar Jericho, en viel onder de moordenaars, welke hem ook uitgetogen, en daartoe zware slagen gegeven hebbende, heengingen, en lieten hem half dood liggen.

31 En bij geval kwam een zeker priester denzelven weg af, en hem ziende, ging hij tegenover hem voorbij.

32 En desgelijks ook een Leviet, als hij was bij die plaats, kwam hij, en zag hem, en ging tegenover hem voorbij.

33 Maar een zeker Samaritaan, reizende, kwam omtrent hem, en hem ziende, werd hij met innerlijke ontferming bewogen.

34 En hij, tot hem gaande, verbond zijne wonden, gietende daarin olie en wijn; en hem heffende op zijn eigen beest, voerde hem in de herberg en verzorgde hem.

35 En des anderen daags weggaande, langde hij twee penningen uit, en gaf ze den waard, en zeide tot hem: Draag zorg voor hem; en zoo wat gij meer aan hem ten koste zult leggen, dat zal ik u wedergeven, als ik wederkom.

30 Wie dan van deze drie dunkt u de naaste geweest te zijn desgenen, die onder de moordenaars gevallen was?

wie de Vader is dan de Zoon e wien de Zoon het wil openbarei

23 En hij keerde zich tot zijn jongeren, en zeide tot hen afzor derlijk: Zalig zijn de oogen, di zien hetgeen gij ziet.

24 Want ik zeg u, vele profete en koningen hebben begeerd t zien hetgeen gij ziet, en hebbe het niet gezien, en te hooren het geen gij hoort, en hebben het nie gehoord.

Matth. 11 : 25—27. Matth. 13 : 16, 1'

De weg ten leven.

25 En zie, toen stond een zeke Wetgeleerde op om hem te ver zoeken, en zeide: Meester, wa moet ik doen, opdat ik het eeuwig leven beërve?

26 En hij zeide tot hem: Ho staat er in de wet geschreven Hoe leest gij ?

27 En hij antwoordde en zeide „Gij zult God, uwen Heer, lief hebben met uw gansche hart, me uwe gansche ziel, uit alle krach ten en met geheel uw verstand e] uwen naaste als uzelven".

Deut. 6 : 5. Lev. 19 : 18. Lev. 18 : S

28 En hij zeide tot hem: Gij heb recht geantwoord; doet dat, en gi zult leven.

29 Maar hij wilde zichzelvei rechtvaardigen, en zeide tot Jezus Wie is mijn naaste?

Matth. 22 : 35—40. Mare. 12 : 28—34

De gelijkenis van den barmhartigen Samaritaan.

30 En Jezus antwoordde en zeide Een zeker mensch ging af var Jeruzalem naar Jericho, en vie! onder moordenaars; dezen kleedden hem uit, sloegen hem, en gingen weg, en lieten hem halfdood liggen.

31 En het geschiedde bij geval, dat een zeker priester denzelfden weg aftrok; en toen hij hem zag, ging hij hem voorbij.

32 Desgelijks ook, toen een Leviet bij die plaats kwam en hem zag, ging hij hem voorbij.

33 Maar een zeker Samaritaan reisde, en kwam daarheen; en toen hij hem zag, werd hij innerlijk bewogen,

34 en hij ging tot hem, verbond zijne wonden, en goot er olie en wijn in, en hij legde hem op zijn eigen lastdier, en voerde hem in de herberg en droeg zorg voor hem.

35 Des anderen daags reisde hij weg, en haalde twee penningen uit, en gaf ze den waard, en zeide tot hem: verzorg hem; en zoo gij wat meer aan hem ten koste zult leggen, dat zal ik u betalen, als ik wederkom.

36 Wie dunkt u, dat van deze drie de naaste geweest is desgenen, die onder de moordenaars gevallen was?

de 2,1

n en wie de Vader is da,nwji ope 1. en hij wien de Zoon het w baren.

leef

e 23 Toen zich alleen tot ZÖ .- lingen wendend, zeide n.y'zjeti e de oogen die zien wat gu ^

ti 24 want ik zeg u dat vele e ten en koningen hebven ti zien wat gij ziet, maar 0re .- het niet, en hebben will?0 "0rde" t wat gij hoort, maar ztl het niet.

7.

Het grootste gebod- „j r 25 Daar trad een wetgele® lil

- om hem op de proef te St'e <50% t zeide: Meester, wat m°ei.eër^e

e om het eeuwige leven te 0

t A

s 26 Hij zeide tot hem: W® j ieeS ? in de wet geschreven? w ,t gij daar? gij %

: 27 Hij gaf ten antwoord- 1»

- den Heer uw God liefheb^' 2, t ganscher harte en met aj u,

- heele ziel, al uw macht e' 1 verstand, en uw naaste ai

d ^

t 28 En hij zeide tot hem: ir j antwoord. Doe dat; dan

leven. ^

Gelijkenis van den baf^1^ Samaritaan. 1 29 Maar om zich te rechtse >' : gen zeide hij tot Jezus: E" mijn naaste ?

30 Waarop Jezus hernat*1- ^ 1 reisde zeker mensch van J

. lem naar Jericho en viel

■ den van roovers. Die scjiiK \

■ hem uit, sloegen hem deerde lieten hem toen zij heen» halfdood liggen. ^

31 Toevallig kwam een P*1^' dien weg langs; hij zag hei"' ging voorbij. ^

32 Desgelijks een Levi^!> kwam op die plaats, zag 11 ging voorbij.

Me j

33 Maar een Samaritaan 9'. reis was kwam ook daarlang^e' hem en werd innerlijk t>e 1

verKf

34 hij ging naar hem toe, Jie \ zijn wonden en goot er " "ï wijn op; daarna hief hij n pe» zijn eigen lastdier, voerder naar een herberg en veFP ^

35 Den volgenden dag $ twee zilverlingen, gaf ze a jjj, % waard en zeide: Verpleeg ngpi / wat gij wellicht meer aan koste legt, dat geef ik u wanneer ik weerkeer.

36 Wie van die drie is y meening de naaste gewee» den man die in de han<Je roovers viel?

de K

en wie de Vader is da,nwji ope en hij wien de Zoon het w baren.