Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

worden. En een iegelijk, wien veel gegeven is, van dien zal veel geeiseht worden; en wien men veel vertrouwd heeft, van dien zal men overvloediger eischen.

Jezus brengt vuur en verdeeldheid op aarde.

49 Ik ben gekomen, om vuur op de aarde te werpen; en wat wil Ik, indien het aireede ontstoken is?

50 Maar Ik moet met eenen doop gedoopt worden; en hoe worde Ik geperst, totdat het volbracht zij t

Matt. 20 : '22. Mark. 10 : 38.

51 Meent gij, dat Ik gekomen ben, om vrede te geven op de aarde ? Neen, zeg Ik u, maar veeleer verdeeldheid.

Matt. 10 : 34. Micha 7:6

52 Want van nu aan zullen er vijf in een huis verdeeld zijn, drie tegen twee, en twee tegen drie.

53 De vader zal tegen den zoon verdeeld zijn, en de zoon tegen den vader; de moeder tegen de dochter; en de dochter tegen de moeder; de schoonmoeder tegen hare schoondochter, en de schoondochter tegen hare schoonmoeder.

De teekenen des tijds.

54 En Hij zeide ook tot de scharen: Wanneer gij eene wolk ziet opgaan van het westen, terstond zegt gijlieden: Er komt regen; en het geschiedt alzoo. Matt. 16 : 2

55 En wanneer gij den zuidenwind ziet waaien, zoo zegt gij: Er zal hitte zijn; en het geschiedt.

56 Gij geveinsden! het aanschijn der aarde en des hemels weet gij te beproeven; en hoe beproeft gij dezen tijd niet?

57 En waarom oordeelt gij ook van uzelven niet, hetgeen recht is ?

58 Want als gij heengaat met uwe wederpartij voor de overheid, zoo doet naarstigheid op den weg, om van hem verlost te worden; opdat hij misschien u niet voor den rechter trekke, en de rechter u den gerechtsdienaar overlevere, en de gerechtsdienaar u in de gevangenis werpe.

Spr. 25 : 8. Matt. 5 : 25.

59 Ik zeg u: Gij zult van daar geenszins uitgaan, totdat gij ook het laatste penningsken betaald zult hebben.

Boet prediking van Jezus. iT 1 En er waren te dierzelfder tijd eenigen tegenwoordig, die Hem boodschapten van de Galiléërs, welker bloed Pilatus met hunne offeranden gemengd had.

2 En Jezus antwoordde, en zeide tot hen: Meent gij, dat deze Galiléërs zondaars zijn geweest boven al de Galiléërs, omdat zij zulks geleden hebben?

3 Ik zeg u: Neen zij; maar indien gij u niet bekeert, zoo zult gij allen desgelijks vergaan.

4 Of die achttien, op welke de toren in Siloam viel, en doodde ze; meent gij, dat deze schuldenaars zijn geweest, boven alle menschen, die in Jeruzalem wonen?

bij dien zal men veel zoeken; en geëischt, en van hem wien veel wien veel toevertrouwd is, van toevertrouwd is zal men te meer

dien zal men te meer eischen. verlangen.

Matth. 24 : 45—51.

Door den Zoon des Menschen verdeeldheid.

49 Ik ben gekomen om een vuur te ontsteken op de aarde; wat wilde ik liever dan dat het alreeds brandde.

50 Maar ik moet tevoren met een doop gedoopt worden; en hoe bang ben ik, totdat hij volbracht zij!

51 Meent gij, dat ik gekomen ben, om vrede te brengen op de aarde ? Ik zeg u: Neen, maar tweedracht.

52 Want van nu af zullen er vijf in één huis oneens zijn, drie tegen twee, twee tegen drie;

53 de vader zal zijn tegen den zoon, en de zoon tegen den vader; de moeder tegen de dochter, en de dochter tegen de moeder; de schoonmoeder tegen de schoondochter, en de schoondochter tegen de schoonmoeder.

Matth. 10 : 34—36. Micha 7 : 6.

Achtgeven op de dingen.

54 En hij zeide tot het volk: Wanneer gij eene wolk ziet opgaan van het Westen, zegt gij terstond: Er komt regen; en het geschiedt alzoo.

55 En wanneer gij den Zuidenwind ziet waaien, zegt gij: Het zal heet worden; en het geschiedt alzoo.

56 Gij huichelaars, de gedaante der aarde en des hemels weet gij te onderscheiden, hoe onderscheidt gij dan dezen tijd niet?

57 En waarom oordeelt gij ook niet uit uzelven wat recht is?

58 Als gij nu met uwe wederpartij voor de overheid gaat, zoo benaarstig u op den weg, dat gij van hem bevrijd wordt, opdat hij u niet misschien voor den rechter trekke, en de rechter u den gerechtsdienaar overlevere, en de gerechtsdienaar u in de gevangenis werpe.

59 Ik zeg u: Gij zult daar niet uitkomen, totdat gij den laatsten penning betaald zult hebben.

Matth. 16 :1—13.

Gods oordeel verdiend.

1 En er waren te dier tijd eenigen tegenwoordig, die hem berichtten van de Galiléërs, wier bloed Pilatus met hunne offers gemengd had.

2 En Jezus antwoordde en zeide tot hen: Meent gij, dat deze Galiléërs boven alle Galiléërs zondaars geweest zijn, omdat zij dit geleden hebben ?

3 Ik zeg u: Neen; maar indien gij u niet bekeert, zoo zult gij allen ook alzoo omkomen.

4 Of meent gij, dat die achttien, op welke de toren te Siloah viel en hen doodde, schuldig zijn geweest boven alle menschen, die te Jeruzalem wonen?

Geen vrede maar verdeeldheid.

49 Ik ben gekomen om vuur op de aarde te werpen, en hoezeer wenschte ik dat het reeds ontstoken ware!

50 Ik moet een doop ondergaan, en wat ben ik benauwd totdat het voorbij is!

51 Meent gij dat ik gekomen ben om vrede op aarde te brengen? Neen, zeg ik u, maar veeleer verdeeldheid.

52 Want van nu af zullen vijf in éen huis verdeeld zijn, drie zullen tegen twee en twee tegen drie verdeeld zijn:

53 de vader tegen zijn zoon en de zoon tegen zijn vader, de moeder tegen haar dochter en de dochter tegen haar moeder, de schoonmoeder tegen haar schoondochter en de schoondochter tegen haar schoonmoeder.

Let op de teekenen der tijden.

54 Ook zeide hij tot de schare: Wanneer gij een wolk in het westen ziet opkomen, dan zegt gij aanstonds: Er komt regen — en dat gebeurt ook;

55 en als de zuidenwind waait, zegt gij: Het zal heet worden — en het gebeurt.

56 Huichelaars, het voorkomen van aarde en hemel weet gij wel te beoordeelen; waarom beoordeelt gij dan dezen tijd niet?

57 Waarom maakt gij niet zelf uit wat recht is?

58 Want wanneer gij met uw tegenpartij naar de overheid gaat, doe dan onderweg uw best om van hem af te komen; anders sleept hij u wellicht naar den rechter, geeft de rechter u aan den gerechtsdienaar over en werpt deze u in de gevangenis.

59 Ik zeg u, gij komt daar niet uit voordat gij den laatsten penning betaald hebt.

Het vraagstuk van lijden en schuld.

1 t>ij aie geiegenneia waren eenigen tegenwoordig die hem verhaalden van de Galiléërs wier bloed Pilatus met dat hunner offerdieren vermengd had.

2 Jezus gaf daarop ten antwoord: Meent gij dat die Galiléërs grooter zondaren waren dan alle andere Galiléërs, omdat hun dit overkomen is?

3 Ik zeg u: Neen. Maar indien gij u niet bekeert, zult gij allen desgelijks omkomen.

4 Of meent gij dat de achttien die door het instorten van den toren in den Siloam gedood zijn schuldiger waren dan de overige bewoners van Jeruzalem?

Sluiten