is toegevoegd aan uw favorieten.

Het Nieuwe Testament in zes Nederlandse vertalingen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

20 En wederom zeide hij: Waarmede zal ik het koninkrijk Gods vergelijken ?

21 Het is gelijk aan een zuurdeesem, welken een vrouw nam en mengde in drie maten meel, totdat dit geheel gezuurd was.

Het gevaar om van het koninkrijk Gods te worden uitgesloten.

122 Zoo trok hij rond van stad tot

stad en van dorp tot dorp, terwijl hij onderricht gaf en zijn reis naar Jeruzalem voortzette.

23 En iemand zeide tot hem: Heer, zijn het slechts weinigen, die behouden worden? Maar hij zeide tot hen:

24 Strijdt, om binnen te gaan door de enge poort; want velen, zeg ik u, zullen zoeken binnen te gaan,

t en zullen niet in staat zijn.

25 Wanneer de heer des huizes is opgestaan en de deur heeft toegesloten, en gij begint, buiten staande, op de deur te kloppen en te zeggen: heer, doe ons open! — zoo zal hri u antwoorden: ik weet

i) niet, vanwaar gij zijt.

20 Ook zeide Hij: Waarmee zal Ik het koninkrijk Gods vergelijken?

21 Het is gelijk aan het zuurdeeg, dat een vrouw nam, en onder drie maten meel mengde, totdat dit geheel was gegist.

Verwerping der joden; uitverkiezing der heidenen.

22 Op zijn reis naar Jerusalem trok Hij steden en dorpen rond, om er te leren.

23 Eens zei Hem iemand: Heer, zijn de zaligen weinig in aantal? Maar Hij sprak tot hen:

24 Doet uw best, om binnen te gaan door de enge poort; want velen, zeg Ik u, zullen trachten binnen te komen, en het niet kunnen.

25 Wanneer de heer des huizes is opgestaan, en de deur heeft gesloten, dan zult gij buiten staan, aan de deur gaan kloppen, en zeggen: Heer, doe ons open. Maar hij zal u antwoorden: Ik weet niet, waar gij vandaan zijt.

26 Dan zult gii beginnen te zeg-

1 gen: in uw bijzijn hebben wij ge-

Igeten en gedronken, en in onze straten hebt gij geleerd.

27 En hij zal spreken en tot u zeggen: ik weet niet vanwaar gij ij zijt; gaat heen uit mijn tegen| woordigheid gij allen, die de onl| gerechtigheid werkt!

|', 28 Daar zal geween zijn en tan¬

dengeknars, wanneer gij Abraham, Izaak en Jakob en al de profeten zult zien in het koninkrijk Gods, maar uzelf buitengeworpen

29 En er zullen komen van Oost en West, van Noord en Zuid, en zij zullen aanzitten in het konink-

|i rijk Gods.

30 En zie, er zijn laatsten, die eersten zullen zijn, en er zijn eersten, die laatsten zullen zijn.

De naderende eindbeslissing.

31 Te dier ure kwamen eenige Farizeën tot hem en zeiden: Ga heen en vertrek van hier, want Herodes wil u dooden.

32 En hij zeide tot hen: Gaat en zegt dien vos: Zie, ik werp booze geesten uit en volbreng genezingen, heden en morgen, en ten derden dage ben ik gereed.

33 Doch ik moet heden en morgen en den daarop volgenden dag reizen; want het gaat niet aan, dat een profeet zoude omkomen buiten Jeruzalem.

34 Jeruzalem, Jeruzalem, gij, die de profeten doodt en steenigt die tot u gezonden zijn, hoe menigmaal heb ik verlangd, uwe kinderen te vergaderen, gelijk een hen hare kiekens vergadert onder de vleugelen, en gij hebt niet gewild

20 En wederom sprak Hij: Waarmede zal Ik het Koninkrijk Gods vergelijken ?

21 Het is gelijk aan een zuurdesem, welken een vrouw nam en in drie maten meel deed, totdat het geheel doorzuurd was.

Matth. 13 : 31—33. Mare. 4 : 30—32

Wie behouden worden.

22 En Hij trok verder langs steden en dorpen, predikende en reizende naar Jeruzalem.

23 En iemand zeide tot Hem: Here, zijn het weinigen, die behouden worden ? Hij zeide tot hen:

24 Strijdt om in te gaan door de enge poort, want velen, zeg Ik u, zullen trachten in te gaan, doch het niet kunnen.

25 Van het ogenblik af, dat de heer des huizes is opgestaan en de deur gesloten heeft, zult gij beginnen buiten te staan en aan de deur te kloppen, zeggende: Here, doe ons open, en Hij zal antwoorden en tot u zeggen: Ik weet niet, vanwaar gij zijt.

26 Dan zult gij gaan zeggen: We hebben bij U gegeten en gedronken, en in onze straten hebt Gij onderricht gegeven?

27 Maar Hij zal u zeggen: Ik weet niet, waar gij vandaan zijt. Weg van Mij, gij allen, die ongerechtigheid doet!

28 Dan zal er geween zijn en gekners der tanden, wanneer gij Abraham, Isaak en Jakob en al de profeten zult zien in het koninkrijk Gods, maar uzelf uitgeworpen naar buiten.

29 Dan zullen er komen van oost en west, en noord en zuid, en ze zullen aanzitten in het koninkrijk

Gods.

30 Zie, er zijn laatsten die eersten, en eersten die laatsten zullen zijn. Matt. 13 : 31—33. Mark. 4 : 30—32.

Herodes, de vos.

31 Terzelfder tijd kwamen enige farizeën naar Hem toe, en zeiden Hem: Ga hier vandaan; want Herodes wil U doden.

32 Hij zei hun: Gaat dien vos zeggen: Zie, vandaag en morgén drijf Ik duivels uit, en verricht Ik genezingen; overmorgen bereik Ik het einde.

33 Toch moet Ik vandaag, morgen en overmorgen verder reizen; want het gaat niet aan, dat een profeet buiten Jerusalem zou sterven.

Bezorgdheid over Jeruzalem.

34 Jerusalem, Jerusalem, dat de profeten doodt, en dat stenigt, die tot u zijn gezonden: hoe dikwijls heb Ik uw kinderen willen vergaderen, zoals een hen haar kuikens onder haar vleugels; maar gij hebt niet gewild.

26 Dan zult gij beginnen te zeggen: Wij hebben voor uw ogen gegeten en gedronken en in onze straten hebt Gij geleerd.

27 En Hij zal tot u spreken, zeggende: Ik weet niet, vanwaar gij zijt; gaat weg van Mij, alle gij werkers der ongerechtigheid.

Ps. 6 : 9.

28 Daar zal het geween zijn en het tandengeknars, wanneer gij Abraham en Izaak en Jakob zult zien en al de profeten in het Koninkrijk Gods, maar uzelf buitengeworpen.

29 En zij zullen komen van Oost en West en van Noord en Zuid en zullen aanliggen in het Koninkrijk Gods.

30 En zie, er zijn laatsten, die de eersten zullen zijn en er zijn eersten, die de laatsten zullen

Zijn. Matth. 7 : 13—23.

8 : 11, 12. 19 : 30. 25 :11. Mare. 10 : 31.

Jezus moet sterven te Jeruzalem.

31 Ter zelfder tijd kwamen enige Farizeeën en zeiden tot Hem: Ga heen en vertrek van hier, want Herodes wil U doden.

32 En Hij zeide tot hen: Gaat heen en zegt dien vos: Zie, Ik werp boze geesten uit en volbreng genezingen, heden en morgen, en op den derden dag ben Ik gereed.

33 Doch Ik moet heden en morgen en den volgenden dag reizen, want het gaat niet aan, dat een profeet buiten Jeruzalem omkomt.

34 Jeruzalem, Jeruzalem, dat de profeten doodt, en stenigt die tot u gezonden zijn, hoe dikwijls heb Ik uw kinderen willen vergaderen, gelijk een hen haar kuikens onder haar vleugels, en gij hebt niet gewild.