is toegevoegd aan uw favorieten.

Het Nieuwe Testament in zes Nederlandse vertalingen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

35 Ziet, uw huis wordt ulieden woest gelaten. En voorwaar, Ik zeg u, dat gij Mij niet zult zien, totdat de tijd zal gekomen zijn, als gij zult zeggen: Gezegend is Hij, Die komt in den Naam des Heeren! Ps. 69 : 26. Jes. 1 : 7. Jer. 7 : 34. Micha 3 : 12. Matt. 23 : 38. Hand. 1 : 20.

Ps. 118 : 26.

Genezing van een waterzuchtigen man op sabbat. 14 1 En het geschiedde, als Hij gekomen was in het huis van een der oversten der Farizeën, op den sabbat, om brood te eten, dat zij Hem waarnamen.

2 En ziet, er was een zeker waterzuchtig mensch voor Hem.

3 En Jezus, antwoordende, zeide tot de Wetgeleerden en Farizeën, en sprak: Is het ook geoorloofd op den sabbat gezond te maken?

4 Maar zij zwegen stil. En Hij nam hem, en genas hem, en liet hem gaan.

5 En Hij, hun antwoordende, zeide: Wiens ezel of os van ulieden zal in eenen put vallen, en die hem niet terstond zal uittrekken op den dag des sabbats?

Ex. 23 : 5. Deut. 22 : 4. Luk. 13 : 15.

6 En ze konden Hem daarop niet weder antwoorden.

Vermaning tot ootmoed.

7 En Hij zeide tot de genooden eene gelijkenis, aanmerkende, hoe zij de vooraanzittingen verkozen; zeggende tot hen:

8 Wanneer gij van iemand ter bruiloft genood zult zijn, zoo zet u niet in de eerste zitplaats; opdat niet misschien een waardiger dan gij van hem genood zij;

9 En hij, komende, die u en hem genood heeft, tot u zegge: Geef dezen plaats; en gij alsdan zoudt beginnen met schaamte de laatste plaats te houden.

10 Maar wanneer gij genood zult zijn, ga heen en zet u in de laatste plaats; opdat, wanneer hij komt, die u genood heeft, hij tot u zegge: Vriend! ga hooger op. Alsdan zal het u eer zijn voor degenen, die met u aanzitten.

Spr. 25 : 6, 7.

11 Want een iegelijk, die zichzelven verhoogt, zal vernederd worden; en die zichzelven vernedert, zal verhoogd worden.

Job 22 : 29. Spr. 29 : 23. Matt. 23 : 12. Luk. 1 : 51. 18 : 14. Jakob. 4 : 6, 10.

1 Petr. 5 : 5.

12 En Hij zeide ook tot dengene, die Hem genood had: Wanneer gij een middagmaal of avondmaal zult houden, zoo roep niet uwe vrienden, noch uwe broeders, noch uwe magen, noch uwe rijke geburen; opdat ook dezelve u niet te eeniger tijd wedernooden, en u vergelding geschiede.

Neh. 8 : 11. Spr. 3 : 28.

13 Maar wanneer gij een maaltijd zult houden, zoo nood armen, verminkten, kreupelen, blinden;

35 Zie, uw huis zal u woest gelaten worden. Want ik zeg u: Gij zult mij niet zien, totdat het geschieden zal, dat gij zegt: Geloofd zij die komt in den naam des Heeren!

Matth. 23 : 37—39. Psalm 118 : 26.

Een waterzuchtige op Sabbat genezen.

1 En het geschiedde, dat hij kwam in het huis van een overste der Farizeën, op een sabbat, om brood te eten; en zij namen hem waar.

2 En zie, er was een mensch vóór hem, die waterzuchtig was.

3 En Jezus antwoordde en zeide tot de Schriftgeleerden en Farizeën, en sprak: Is het ook geoorloofd op den sabbat te genezen?

4 Maar zij zwegen stil. En hij greep hem aan en genas hem, en liet hem gaan.

5 En hij antwoordde en zeide tot hen: Wie is er onder u, wiens os of ezel in een put valt en die hem er niet terstond uittrekt op den sabbatdag ?

6 En zij konden hem daarop weder geen antwoord geven.

Matth. 12 : 10—12,

Wacht u voor eerzucht.

7 En hij zeide eene gelijkenis tot de gasten, toen hij merkte, hoe zij verkozen bovenaan te zitten, en zeide tot hen:

8 Wanneer gij door iemand genoodigd wordt ter bruiloft, zoo zet u niet bovenaan; opdat er niet misschien een eerwaardiger dan gij door hem genoodigd zij;

9 en als dan degeen, die u en hem genoodigd heeft, komt, en tot u zegt: Wijk voor dezen, zoo moet gij dan met schaamte benedenaan zitten.

10 Maar wanneer gij genoodigd wordt, zoo ga heen en zet u benedenaan, opdat, wanneer hij komt, die u genoodigd heeft, hij tot u zegge: Vriend, ga opwaarts. Dan zult gij eere hebben voor degenen die met u aan tafel zitten.

11 Want wie zichzelven verhoogt, die zal vernederd worden, en wie zichzelven vernedert, die zal verhoogd worden.

Zoek geen vergelding.

12 En hij zeide tot dengene die hem genoodigd had: Wanneer gij een middag- of avondmaal zult houden, zoo noodig niet uwe vrienden, noch uwe broeders, noch uwe bloedverwanten, noch uwe geburen, die rijk zijn, opdat zij u niet te eeniger tijd wedernoodigen en het u vergolden worde.

13 Maar wanneer gij een maaltijd zult houden, zoo noodig armen, kreupelen, lammen, blinden,

35 Zie, uw huis zal u in puin blijven liggen. Ik zeg u, gij zult mij niet zien voordat gij zegt: Gezegend hij die komt met den naam des Heeren!

Genezing op sabbat. 1 Eens, toen hij op een sabbat in het huis van een overste der Farizeën ten maaltijd was en men het oog op hem hield,

2 stond daar vóór hem een mensch die leed aan waterzucht.

3 En Jezus nam het woord en zeide tot de wetgeleerden en Farizeën: Is het al dan niet geoorloofd op sabbat een genezing te verrichten ?

4 Toen zij zwegen, vatte hij hem aan, genas hem, liet hem weer los

5 en zeide tot hen: Wie van u, als zijn zoon of rund in een put valt, zal hem niet, ook op Sabbat, er aanstonds uittrekken ?

6 Hiertegen konden zij niets inbrengen.

Nederigheid.

7 Toen hij zag hoe de gasten de hoogste plaatsen uitzochten, verhaalde hij hun de volgende gelijkenis:

8 Wanneer gij door iemand ter bruiloft zijt genoodigd, ga dan niet op de hoogste plaats zitten; er mocht eens iemand door hem genoodigd zijn die aanzienlijker is dan gij;

9 in dit geval zou de man die u en hem genoodigd heeft bij u komen en zeggen: Maak plaats voor hem — en zoudt gij vol schaamte de laagste plaats gaan innemen.

10 Neen, wanneer gij genoodigd zijt, ga dan op de laagste plaats zitten; opdat, wanneer uw gastheer komt, hij tot u zegge: Vriend, ga hooger op. Dan zal het u een eer zijn in de oogen van al de dischgenooten.

11 Want ieder die zichzelf ver¬

hoogt zal vernederd worden, en wie zichzelf vernedert zal verhoogd worden.

Gelijkenis van den maaltijd en de verontschuldigingen der genoodigden. 12 Ook zeide hij tot zijn gastheer: Wanneer gij een middag- of avondmaal geeft, noodig dan niet uw vrienden of broeders, ook niet uw bloedverwanten of rijke buren; anders noodigen zij op hun beurt u uit en krijgt gij vergelding.

13 Maar treeft erii een gastmaal,

vraag dan armen, mismaakten, verlamden, blinden;