is toegevoegd aan uw favorieten.

Het Nieuwe Testament in zes Nederlandse vertalingen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

35 Zie, uw Huis wordt aan u prijsgegeven. Ik zeg u: gij zult mij niet meer zien, totdat de dag komt, waarop gij zeggen zult: gezegend is hij, die komt in den naam des Heeken.

Tegen de onontvankelijkheid der Farizeën. Uüwendiae wetsvervullina. 1 En

het geschiedde, toen hij op een sabbat in het huis van een der leiders van de Farizeën kwam, om den maaltijd te gebruiken, dat zij scherp op hem letten.

2 En zie, daar stond een waterzuchtig mensch voor hem.

3 En Jezus richtte zich tot de wetgeleerden en Farizeën en zeide: Is het geoorloofd op den sabbat te genezen of niet?

4 Doch zij hielden zich stil. En hij legde zijn hand op herfi en genas hem en liet hem heengaan.

5 En tot de anderen zeide hij: Wie uwer zal, wanneer hem een zoon of een rund in een put valt, dien niet terstond er uittrekken op den sabbatdag?

6 En zij waren niet in staat, een wederwoord te geven.

Eerzucht.

7 En hij sprak tot de genoodigden een gelijkenis, daar het hem was opgevallen, hoe zij de eereplaatsen uitzochten; en hij zeide tot hen:

8 Wanneer gij door iemand ter bruiloft zijt genoodigd, zoo zet u niet op de eereplaats, opdat niet, indien soms iemand die voornamer is dan gij, door hem genoodigd mocht zijn,

9 degeen die u en hem genoodigd heeft, tot u kome en zegge: ruim voor dezen plaats in. Dan zoudt gij beginnen, met beschaamdheid, de geringste plaats in te nemen.

10 Maar wanneer gij genoodigd zijt, ga heen en zet u neer op de geringste plaats, opdat, wanneer degeen die u genoodigd heeft, komt, hij tot u zegge: vriend, kom hooger op. Dan zult gij eer ontvangen voor het oog van al uw dischgenooten.

11 Want een ieder, die zich zelf verhoogt, zal vernederd worden; en wie zich zelf vernedert, zal verhoogd worden.

Baatzucht.

12 En hij zeide ook tot dengene die hem genoodigd had: Wanneer gij een middag- of een avondmaaltijd aanricht, roep niet uwe vrienden, noch uwe broeders, niet uwe verwanten, noch uwe rijke buren, opdat niet soms zij op hun beurt u noodigen, en u daardoor alles vergolden wordt.

13 Maar wanneer gij een gastmaal aanricht, zoo noodig armen, misvormden, kreupelen, blinden;

35 Zie, uw huis zal verwoest blijven liggen. En Ik zeg u: Gij zult Mij niet meer zien, voordat de tijd komt, dat gij roept: Gezegend Hij, die komt in de naam des Heren.

Matt. 23 : 37—39.

De os in de put.

1 Eens kwam Hij op een sabbat in het huis van een der voornaamsten van de farizeën, om de maaltijd te gebruiken; en men bespiedde Hem.

2 En zie, daar stond een man voor Hem, die aan waterzucht leed.

3 Jesus nam het woord, en sprak tot de wetgeleerden en farizeën: Mag men op sabbat genezen, of niet?

4 Ze zwegen. Toen raakte Hij hem aan, genas hem, en zond hem heen.

5 Nu sprak Hij tot hen: Wie van u zal zijn zoon of zijn os, die in de put is gevallen, niet aanstonds, ook op de sabbat, er uit trekken?

6 Ze wisten hier niets tegen in te brengen.

De eerste plaats aan tafel.

7 En daar Hij bemerkte, dat de gasten zich de beste plaatsen hadden uitgezocht, sprak Hij hun in een gelijkenis toe:

8 Wanneer ge door iemand op een bruiloft zijt uitgenodigd, ga dan niet op de beste plaats zitten. Want misschien is er een door hem uitgenodigd, die voornamer is dan gij.

9 Dan zou hij, die u en hem heeft genodigd, u komen zeggen: Maak plaats voor hem. En ge zoudt vol schaamte de minste plaats moeten innemen.

10 Maar wanneer ge genodigd zijt, ga dan op de minste plaats zitten; opdat uw gastheer u zegt, als hij komt: Vriend, ga hoger op. Dat zal een eer voor u zijn in het oog van al de disgenoten.

11 Want wie zich verheft, zal vernederd, en wie zich vernedert, zal verheven worden.

De onbaatzuchtige gastheer. 12 En tot zijn gastheer zeide Hij: Wanneer ge een middag- of avondmaal houdt, nodig dan niet uw vrienden of broers, uw bloedverwanten of rijke buren; want misschien nodigen ze u terug, en ge krijgt het vergolden.

13 Maar als ge een maaltijd houdt, nodig dan armen, gebrekkigen, kreupelen, blinden.

35 Zie, uw huis wordt aan u overgelaten. Maar Ik zeg u, gij zult Mij niet meer zien tot het ogenblik komt, dat gij zegt: Gezegend Hij, die komt in den naam des Heren!

Matth. 23 : 37—39. Jer. 22 : 5. Ps. 118 :26.

De genezing van een waterzuchtige op sabbat.

1 En het geschiedde, toen Hij op 14 sabbat in het huis van een der hoofden van de Farizeeën kwam om brood te eten, dat zij nauwkeurig acht op Hem sloegen.

2 En zie, er stond een waterzuchtig mens vóór Hem.

3 En Jezus antwoordde en zeide tot de wetgeleerden en Farizeeën, zeggende: Is het geoorloofd op den sabbat gezond te maken of niet?

4 En zij hielden zich stil. En Hij vatte hem bij de hand en Hij genas hem en liet hem gaan.

5 En Hij zeide tot hen: Als een zoon of een koe van iemand van u in een put valt, wie zal hem er dan niet terstond uittrekken (ook) op den sabbatdag ?

6 En zij waren niet in staat iets daartegen in te brengen.

De hoogste en laagste plaats.

7 Hij sprak tot de genodigden een gelijkenis, daar Hij bemerkte, hoe zij de eerste plaatsen uitkozen, en zeide tot hen:

8 Wanneer gij door iemand op een bruiloft genodigd zijt, ga dan niet op de eerste plaats zitten. Misschien is er iemand, voornamer dan gij, door hem genodigd;

9 en dan zou hij, die u en hem genodigd heeft, komen en tot u zeggen: Maak plaats voor dezen, en dan zoudt gij tot uw schande de laatste plaats moeten gaan innemen.

10 Maar wanneer gij genodigd zijt, zet u dan, als gij er heen gaat, op de laatste plaats neder. Dan zal misschien hij, die u genodigd heeft, wanneer hij binnenkomt, tot u zeggen: Vriend, kom meer naar voren. Dan zal dat u tot eer zijn tegenover allen, die met u aanliggen.

11 Want een ieder, die zichzelf verhoogt, zal vernederd worden en die zichzelf vernedert, zal verhoogd worden.

Matth. 23 : 12. Luc. 18 : 14.

Wie men moet nodigen.

12 Hij zeide ook tot die Hem genodigd had: Wanneer gij een middag- of avondmaaltijd aanricht, roep dan niet uw vrienden of uw broeders of uw verwanten of uw rijke buren; die zouden immers op hun beurt u ook kunnen uitnodigen en gij zoudt terugbetaling ontvangen.

13 Maar wanneer gij een gastmaal aanricht, nodig dan bedelaars, misvormden, lammen en blinden.