Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

tot den vader: Zie, ik dien u nu zoo vele jaren, en heb nooit uw gebod overtreden, en gij hebt mij nooit een bokje gegeven, opdat ik met mijne vrienden mocht vroolijk zijn.

30 Maar als deze uw zoon gekomen is, die uw goed met hoeren doorgebracht heeft, zoo hebt gij hem het gemeste kalf geslacht.

31 En hij zeide tot hem: Kind! gij zijt altijd bij mij, en al het mijne is uwe.

32 Men behoorde dan vroolijk en blijde te zijn; want deze uw broeder was dood, en is weder levend geworden; en hij was verloren, en is gevonden.

De onrechtvaardige rentmeester. I /- 1 En Hij zeide ook tot Zijne disio cipelen: Er was een zeker rijk mensch, welke eenen rentmeester had; en deze werd bij hem verklaagd, als die zijne goederen doorbracht.

2 En hij riep hem, en zeide tot hem: Hoe hoor ik dit van u? Geef rekenschap van uw rentmeesterschap; want gij zult niet meer kunnen rentmeester zijn.

3 En de rentmeester zeide bij zichzelven: Wat zal ik doen, dewijl mijn heer dit rentmeesterschap van mij neemt? Graven kan ik niet; te bedelen schaam ik mij.

4 Ik weet, wat ik doen zal, opdat wanneer ik van het rentmeesterschap afgezet zal wezen, zij mij in hunne huizen ontvangen.

5 En hij riep tot zich een iegelijk van de schuldenaars zijns heeren, en zeide tot den eersten: Hoeveel zijt gij mijnen heer schuldig?

6 En hij zeide: Honderd vaten olie. En hij zeide tot hem: neem uw handschrift, en nederzittende, schrijf haastelijk vijftig.

7 Daarna zeide hij tot eenen anderen: En gij, hoeveel zijt gij schuldig? En hij zeide: Honderd mudden tarwe. En hij zeide tot hem: Neem uw handschrift, en schrijf tachtig.

8 En de heer prees den onrecht vaardigen rentmeester, omdat hij voorzichtiglijk gedaan had; want de kinderen dezer wereld zijn voorzichtiger, dan de kinderen des lichts, in hun geslacht.

Efez. 5 : 8. 1 Thess. 5 : 5.

9 En Ik zeg ulieden: Maakt uzelven vrienden uit den onrechtvaardigen Mammon, opdat, wanneer u ontbreken zal, zij u mogen ontvangen in de eeuwige tabernakelen.

Matt. 6 : 19. 19 : 21. 1 Tim. 6 : 19.

10 Die getrouw is in het minste, die is ook in het groote getrouw; en die in het minste onrechtvaardig is, die is ook in het groote onrechtvaardig.

11 Zoo gij dan in den onrechtvaardigen Mammon niet getrouw zijt geweest, wie zal u het ware vertrouwen ?

12 En zoo gij in eens anders goed niet getrouw zijt geweest, wie zal u het uwe geven?

tot den vader: Zie, zoovele jaren dien ik u, en heb uw gebod nog nooit overtreden, en gij hebt mij nooit een bok gegeven, opdat ik met mijne vrienden mocht vroolijk zijn;

30 maar nu deze uw zoon gekomen is, die uw goed met hoeren doorgebracht heeft, hebt gij voor hem het gemeste kalf geslacht.

31 Maar hij zeide tot hem: Mijn zoon, gij zijt altijd bij mij, en al wat het mijne is, is het uwe.

32 Dus behoordet gij vroolijk en goedsmoeds te zijn; want deze uw broeder was dood, en is weder levend geworden; hij was verloren, en is wedergevonden.

De onrechtvaardige rentmeester.

1 En hij zeide ook tot zijne jongeren: Er was een zeker rijk man, die een huishouder had; en deze werd bij hem beticht, als die zijne goederen doorbracht.

2 En hij riep hem en zeide tot hem: Hoe hoor ik dit van u? Doe rekening van uwe huishouding; want gij zult voortaan niet meer huishouder zijn.

3 En de huishouder zeide bij zichzelven: Wat zal ik doen? Mijn heer neemt het ambt van mij; graven kan ik niet, en te bedelen schaam ik mij.

4 Ik weet wat ik zal doen, opdat, wanneer ik van het ambt afgezet zal zijn, zij mij in hunne huizen opnemen.

5 En hij riep tot zich alle schuldenaars zijns heeren, en zeide tot den eersten: Hoeveel zijt gij mijnen heer schuldig?

6 Hij zeide: Honderd vaten olie. En hij zeide tot hem: Neem uwen brief, zet u neder, en schrijf schielijk vijftig.

7 Daarna zeide hij tot een ander: En gij, hoeveel zijt gij schuldig? Hij zeide: Honderd mudden tarwe. En hij zeide tot hem: Neem uwen brief en schrijf tachtig.

8 En de heer prees den onrechtvaardigen huishouder, omdat hij bedachtzaam gedaan had; want de kinderen dezer wereld zijn bedachtzamer dan de kinderen des lichts in hun geslacht.

9 En ik zeg u ook: Maakt u vrienden door den onrechtvaardigen Mammon, opdat, wanneer gij gebrek hebt, zij u opnemen in de eeuwige hutten.

God en de Mammon.

10 Wie in het minste getrouw is, die is ook in het groote getrouw; en wie in het minste onrechtvaardig is, die is ook in het groote onrechtvaardig.

11 Zoo gij nu in den onrechtvaardigen Mammon niet getrouw zijt, wie zal u het waarachtige toevertrouwen ?

12 En zoo gij in het vreemde niet getrouw zijt, wie zal u geven wat het uwe is?

woord: Zie nu eens, zooveel jaren dien ik u, en ik heb nooit uw gebod overtreden. Toch hebt gij mij nooit een bokje gegeven om met mijn vrienden feest te vieren.

30 Maar nu die zoon van u komt die uw goed met gemeene vrouwen heeft doorgebracht, slacht gij voor hem het gemeste kalf.

31 Hij zeide tot hem: Kind, gij zijt altijd bij mij, en al het mijne is het uwe;

32 gij moest dus feestvieren en blij zijn; want deze broeder van u was dood en is levend geworden, was verloren en is teruggevonden.

Gelijkenis van den oneerlijken rentmeester.

1 Hij zeide tot zijn leerlingen: Er was eens een rijk man die een rentmeester had, en deze werd bij hem aangeklaagd dat hij zijn goederen tegronde richtte.

2 Hij riep hem tot zich en zeide: Wat hoor ik van u? Geef rekenschap van uw beheer; want gij kunt niet langer rentmeester zijn.

3 Toen zeide de rentmeester bij zichzelf: Wat zal ik doen? Mijn heer neemt mij het rentmeesterschap af; spitten kan ik niet, voor bedelen schaam ik mij.

4 Ik weet wat ik zal doen; opdat zij mij, als ik van het rentmeesterschap ontzet ben, in hun huizen opnemen.

5 Hij ontbood dan de schuldenaren van zijn heer éen voor éen en zeide tot den eersten: Hoeveel zijt gij mijn heer schuldig?

6 Hij zeide: Honderd vaten olie. Hij zeide tot hem: Neem uw schuldbekentenis, ga dadelijk zitten en schrijf: Vijftig.

7 Daarna zeide hij tot den tweeden: En gij, hoeveel zijt gij schuldig? Hij zeide: Honderd schepel koorn. Hij zeide hem: Neem uw schuldbekentenis en schrijf: Tachtig.

8 En de Heer prees den oneerlijken rentmeester omdat hij met overleg had gehandeld; want de kinderen dezer wereld hebben meer overleg dan de kinderen des lichts in hun soort.

9 Ook zeg ik u: Maakt u vrienden door middel van den ongerechten rijkdom; opdat men u, als er een tekort is, in de eeuwige tenten opneme.

10 Wie in het kleinste betrouwbaar is, is ook in het groote betrouwbaar; wie in het kleinste onbetrouwbaar is, is ook in het groote onbetrouwbaar.

11 Indien gij dus niet betrouwbaar zijt in zake van den ongerechten rijkdom, wie zal u den waren toevertrouwen?

12 En indien gij in eens anders goed niet betrouwbaar zijt, wie zal u het onze geven?

Sluiten