Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

28 Petrus zeide: Zie, wij hebben het onze verlaten en zijn u gevolgd.

29 En Jezus zeide tot hen: Niemand is er, die huis of vrouw of broeders of ouders of kinderen verlaten heeft, ter wille van het koninkrijk Gods,

Laatste aankondiging van lijden en heerlijkheid. 31 En hij nam de twaalven ter zijde en sprak tot hen: Zie, wij gaan op naar Jeruzalem, en aan den zoon des menschen zal volbracht worden al wat geschreven is door de profeten:

33 en zij zullen hem geeselen en dooden; en ten derden dage zal hij opstaan.

34 En zij begrepen hiervan niets, en dit woord was voor hen verborgen, en zij verstonden de bedoeling niet.

Jezus op weg naar Jeruzalem gehuldigd als de zone Davids.

35 En het geschiedde, terwijl hij Jericho naderde, dat er aan den weg een blinde zat, een bedelaar.

36 En toen deze de schare hoorde voorbijtrekken, vroeg hij wat dat was.

37 En men vertelde hem: Jezus, de Nazarener, gaat voorbij.

38 En hij riep: Jezus, gij zone Davids, erbarm u mijner!

39 En zij die voorop gingen, voeren tegen hem uit, opdat hij zwijgen zoude; doch hij riep te luider: Gij zone Davids, erbarm u mijner!

40 En Jezus bleef staan en beval, hem bij zich te brengen. En toen hii naderbij was gekomen, vroeg Jezus hem:

42 En Jezus zeide tot hem: Word ziende, uw geloof heeft u behouden.

43 En onmiddellijk werd hij ziende, en hij volgde hem, God verheerlijkende. En al het volk zag het en gaf Gode lof.

Zacheüs' bekeering: het koninkrijk Gods toegankelijk ook voor een tollenaar.

1 En hij ging Jericho binnen en trok er door.

2 En zie, daar was een man, genaamd Zachéüs, een overste der tollenaren, een rijk man.

28 Toen zei Petrus: Zie, wij hebben alles verlaten, en zijn U gevolgd.

29 Hij zei hun: Voorwaar, Ik zeg u: Er is niemand, die huis, ouders of broers, vrouw of kinderen verlaat om het koninkrijk Gods,

Derde lijdensvoorspelling. 31 Nu nam Hij het twaalftal ter zijde, en sprak tot hen: Ziet, wij gaan op naar Jerusalem; en alles wat door de profeten over den Mensenzoon is geschreven, zal worden vervuld.

33 Men zal Hem geselen en doden; maar op de derde dag zal Hij verrijzen.

34 Ze begrepen er niets van; dit woord bleef hun duister, en ze verstonden niet wat er gezegd werd.

Matt. 20 : 17—19. Mark. 10 : 32—34.

De blinde van Jericho.

35 Toen Hij nu Jericho naderde, zat er een blinde te bedelen langs de weg.

36 Hij hoorde de menigte voorbijgaan, en vroeg, wat er gebeurde.

37 Men vertelde hem, dat Jesus van Nazaret voorbijkwam.

38 Toen riep hij luide: Jesus, Zoon van David, ontferm U mijner.

39 Zij, die vooropgingen, vielen ruw tegen hem uit, om hem tot zwijgen te brengen. Maar hij riep nog harder: Zoon van David, ontferm U mijner.

40 Jesus bleef staan, en liet hem bij Zich brengen. En toen hij genaderd was, vroeg Hij hem:

42 Jesus zeide hem: Zie! Uw geloof heeft u gered.

43 En aanstonds zag hij, volgde Hem, en verheerlijkte God. Al het volk zag het, en bracht glorie aan God.

Matt. 20 : 29—34. Mark. 10 : 46—52.

Zacheüs de tollenaar.

1 Nu kwam Hij Jericho binnen, en trok er doorheen.

2 En zie, daar was een man, Zacheüs geheten; hij was oppertolbeambte en rijk.

28 En Petrus zeide: Zie, wij hebben het onze prijsgegeven en zijn U gevolgd.

29 En Hij zeide tot hen: Voorwaar, Ik zeg u, er is niemand, die huis of vrouw of broeder of ouders of kinderen heeft prijsgegeven ter wille van het Koninkrijk Gods,

30 of hij zal vele malen meer ontvangen in dezen tijd en in de toekomende eeuw het eeuwige leven.

Matth. 19 : 27—29. Mare. 10 . 28—30.

De laatste lijdensaankondiging.

31 Hij nam de twaalven ter zijde en sprak tot hen: Zie, wij gaan op naar Jeruzalem, en al wat door de profeten geschreven is, zal aan den Zoon des mensen volbracht worden.

32 Want Hij zal overgeleverd worden aan de heidenen en bespot en gesmaad en bespuwd worden,

33 en zij zullen Hem geselen en doden, en ten derden dage zal Hij opstaan.

34 En zij begrepen niets van deze dingen en dit woord bleef hun duister en zij wisten niet, waarvan gesproken werd.

Matth. 20 : 17—19. Mare. 10 : 32—34.

De genezing van Bar-Timéiis.

35 Het geschiedde nu, toen Hij in de nabijheid van Jericho kwam, dat een blinde aan den weg zat te bedelen.

36 Toen deze hoorde, dat er een schare voorbijging, vroeg hij, wat dit was.

37 En zij vertelden Hem, dat Jezus de Nazoréër voorbijkwam.

38 En hij riep en zeide: Jezus, Zoon van David, heb medelijden met mij!

39 En die vooraan liepen, bestraften hem, dat hij zwijgen zou. Maar hij schreeuwde des te meer: Zoon van David, heb medelijden met mij!

40 Jezus nu stond stil en liet hem bij zich brengen. Toen hij naderbij gekomen was, vroeg Hij hem:

41 Wat wilt gij, dat Ik u doen zal? Hij zeide: Here, dat ik weer zal kunnen zien!

42 En Jezus zeide tot hem: Word weder ziende; uw geloof heeft u behouden.

43 En terstond kon hij weer zien en hij volgde Hem, God lovende. En al het volk zag het en gaf Gode lof.

Matth. 20 : 29—34. Mare. 10 : 46—52.

Zacheüs.

1 En Hij kwam Jericho binnen en | g ging er door.

2 En zie, er was een man, Zacheüs geheten, die oppertollenaar was, en hij was rijk.

30 die niet het veelvoudige zal ontvangen in dezen tijd, en eeuwig leven in de komende eeuw.

30 of hij zal veel meer terug ontvangen in dezen tijd, en in de toekomstige wereld het eeuwigeleven. Matt. 19 : 16—30. Mark. 10 : 17—31.

32 want hij zal worden overgeleverd aan de heidenen, en hij zal bespot en mishandeld en bespuwd worden,

32 Want Hij zal worden overgeleverd aan de heidenen; Hij zal worden bespot, mishandeld, bespuwd.

41 Wat wenscht gij, dat ik u doen zal? Hij antwoordde: Heer, laat mij ziende mogen worden.

41 Wat wilt ge, dat Ik voor u doe ? Hij sprak: Heer, dat ik zien zal!

Sluiten