is toegevoegd aan uw favorieten.

Het Nieuwe Testament in zes Nederlandse vertalingen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

3 En zocht Jezus te zien, wie Hij was; en kon niet vanwege de schare, omdat hij klein van persoon was.

4 En vooruitloopende, klom hij op eenen wilden vijgeboom, opdat hij Hem mocht zien; want Hij zou door dien weg voorbijgaan.

5 En als Jezus aan die plaats kwam, opwaarts ziende, zag Hij hem, en zeide tot hem: Zachéüs! haast u en kom af; want Ik moet heden in uw huis blijven.

6 En hij haastte zich en kwam af, en ontving Hem met blijdschap.

7 En allen, die het zagen, murmureerden, zeggende: Hij is tot eenen zondigen man ingegaan, om te herbergen.

8 En Zachéüs stond, en zeide tot den Heere: Zie, de helft van mijne goederen, Heere! geef ik den armen; en indien ik iemand iets door bedrog ontvreemd heb, dat geef ik vierdubbel weder.

9 En Jezus zeide tot hem: Heden is dezen huize zaligheid geschied, nademaal ook deze een zoon van Abraham is. Luk. 13 : 16.

10 Want de Zoon des menschen is gekomen, om te zoeken en zalig te maken, dat verloren was.

Matt. 10 : 6. 15 : 24. 18 : 11. Hand. 13 : 46.

Gelijkenis der tien ponden.

11 En als zij dat hoorden, voegde Kij daarbij, en zeide eene gelijkenis; omdat Hij nabij Jeruzalem was, en omdat zij meenden, dat het Koninkrijk Gods terstond zou openbaar worden.

12 Hij zeide dan: Een zeker welgeboren man reisde in een vergelegen land, om voor zichzelven een koninkrijk te ontvangen, en dan weder te keeren.

Matt. 25 : 14. Mark. 13 : 34.

13 En geroepen hebbende zijne tien dienstknechten, gaf hij hun tien ponden, en zeide tot hen: Doet handeling, totdat ik kome.

14 En zijne burgers haatten hem, en zonden hem gezanten na, zeggende: Wij willen niet, dat deze over ons koning zij.

15 En het geschiedde, toen hij wederkwam, als hij het koninkrijk ontvangen had, dat hij zeide, dat die dienstknechten tot hem zouden geroepen worden, dien hij het geld gegeven had; opdat hij weten mocht, wat een iegelijk met handelen gewonnen had.

16 En de eerste kwam, en zeide: Heere! uw pond heeft tien ponden daartoe gewonnen.

17 En hij zeide tot hem: Wel, gij goede dienstknecht! dewijl gij in het minste getrouw zijt geweest, zoo heb macht over tien steden.

18 En de tweede kwam, en zeide: Heere! uw pond heeft vijf ponden gewonnen.

19 En hij zeide ook tot dezen; En gij, wees over vijf steden.

20 En een ander kwam, zeegende: Heere! zie hier uw pond, hetwelk ik in eenen zweetdoek weggelegd had;

21 Want ik vreesde u, omdat gij een straf mensch zijt; gij neemt weg, wat gij niet gelegd hebt, en

3 en hij begeerde Jezus te zien, wie hij was en kon niet vanwege het volk, want hij was klein van persoon.

4 En hij liep vooruit en klom op een wilden vijgeboom, opdat hij hem mocht zien; want aldaar zou hij voorbijkomen.

5 En toen Jezus aan die plaats kwam, zag hij op en werd hem gewaar, en zeide tot hem: Zachéüs, klim schielijk af, want ik moet heden in uw huis verblijven.

6 En hij klom schielijk af, en nam hem aan met vreugde.

7 Toen zij dat zagen, murmureerden zij allen, omdat hij bij een zondaar zijn intrek ging nemen.

8 Maar Zachéüs stond en zeide tot den Heer: Zie, Heer, de helft van mijne goederen geef ik den armen; en indien ik iemand bedrogen heb, zoo geef ik het viervoudig weder.

9 En Jezus zeide tot hem: Heden is aan dit huis heil geschied, nademaal ook deze Abrahams zoon is.

10 Want des Menschen Zoon is gekomen om te zoeken en zalig te maken wat verloren is.

Matth. 25 : 14—30. Matth. 13 : 12 Mare. 4 : 25

De gelijkenis der talenten.

11 Terwijl zij nu toehoorden, voegde hij er nog eene gelijkenis bij, omdat hij nabij Jeruzalem was, en omdat zij meenden, dat het rijk Gods terstond zou geopenbaard worden; en hij zeide:

12 Een zeker voornaam man trok naar een ver land, om voor zich een rijk te verkrijgen, en dan weder te komen.

13 Deze riep tien zijner dienstknechten, en gaf hun tien ponden, en zeide tot hen: Drijft handel daarmede, totdat ik wederkom.

14 Maar zijne burgers waren hem vijandig, en zonden hem gezanten na, zeggende: Wij willen niet, dat deze over ons regeeren zal.

15 En het geschiedde toen hij wederkwam, nadat hij het rijk verkregen had, dat hij gebood deze dienstknechten te roepen, aan wie hij het geld gegeven had, opdat hij weten mocht wat handel elk gedreven had.

16 Toen trad de eerste voor en zeide: Heer, uw pond heeft tien ponden verworven.

17 En hij zeide tot hem: Wèl u, gij goede dienstknecht. Dewijl gij in het minste zijt getrouw geweest, zoo zult gij macht hebben over tien steden.

18 En de tweede kwam ook en zeide: Heer, uw pond heeft vijf ponden gewonnen.

19 Tot dezen zeide hij ook: En gij zult zijn over vijf steden.

20 En de derde kwam en zeide: Heer, zie hier is uw pond, hetwelk ik in een zweetdoek bewaard heb,

21 want ik vreesde u, omdat gij een straf man zijt: gij neemt hetgeen gij niet nedergelegd hebt, en

3 Deze wilde eaarne zien. wat

soort van man Jezus was: maar

de schare belette het hem. omdat

hij klein van persoon was. 4 Om hem toch te zien te krijsen.

liep hij vooruit en klom in een boom; want hij zou daarlangs komen.

5 Toen Jezus aan die plaats kwam, zag hij op en zeide: Zaccheüs, kom spoedig naar beneden; want ik moet vandaag in uw huis mijn intrek nemen.

6 Ijlings klom hij uit den boom en ontving hem met vreugde.

7 En allen die het zagen morden en zeiden: Hij is bij een zondig man zijn intrek gaan nemen.

8 En Zaccheüs trad op den Heer toe en zeide: Heer, de helft van mijn goederen schenk ik aan de armen, en heb ik iemand afgezet, dan geef ik dat viervoudig terug.

9 Toen zeide Jezus tot hem:

•Heden is aan au nuis neu ten aeei gevallen; ook hij toch is een zoon van Abraham;

10 want de Menschenzoon is gekomen om te zoeken en te redden wat verloren was.

Gelijkenis der ponden.

11 Toen zij dit hoorden, voegde hij er een gelijkenis bij, omdat zij dicht bij Jeruzalem waren en zij meenden dat het Koninkrijk Gods nu aanstonds verschijnen zou.

12 Hij zeide dan: Een mensch van hooge geboorte reisde naar een ver land om de koninklijke waardigheid te ontvangen en dan terug te keeren.

13 Hij riep tien zijner slaven, gaf hun tien ponden en zeide tot hen: Drijft er handel mee terwijl ik weg ben.

14 Zijn medeburgers haatten hem en zonden hem een gezantschap achterna met de verklaring: Wij willen niet dat hij koning over ons wordt.

15 Toen hij terugkwam, na de koninklijke waardigheid ontvangen te hebben, ontbood hij de dienaren aan wie hij het geld gegeven had om te vernemen welke zaken ieder van hen had gedreven.

16 De eerste kwam en zeide: Heer, uw pond heeft er tien bij verdiend.

17 Hij zeide tot hem: Wel gedaan, brave slaaf; omdat gij in een zeer kleine zaak getrouw geweest zijt, zult gij over tien steden het bewind voeren.

18 Ook de tweede kwam en zeide: Uw pond, heer, heeft vijf andere opgebracht.

19 Ook tot dezen zeide hij: Wees ook gij bewindvoerder; over vijf steden.

20 En een ander kwam en zeide: Heer, hier is uw pond. Ik heb het in een doek weggelegd.

21 Want ik was bevreesd voor u, omdat gij een streng mensch zijt: gij neemt wat gij niet in bewaring