is toegevoegd aan uw favorieten.

Het Nieuwe Testament in zes Nederlandse vertalingen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

des persoons kent, maar naar waarheid onderwijs geeft in den weg dien God eischt.

22 Is het ons geoorloofd, den keizer belasting te betalen, of niet?

23 Maar hij doorzag hun sluwe bedoeling en zeide tot hen:

De vraag naar de opstanding.

27 En eenige Sadduceën, die loochenen dat er een opstanding is, kwamen tot hem en stelden hem de vraag:

28 Meester, Mozes heeft ons voorgeschreven, dat, indien iemands broeder gehuwd is en kinderloos sterft, zijn broeder dan de weduwe tot vrouw moet nemen en voor zijn broeder nageslacht verwekken.

29 Nu waren er zeven broeders. De eerste nam een vrouw en stierf kinderloos.

30 Ook de tweede en de derde namen haar.

31 En evenzoo lieten al de zeven geen kinderen na, bij hun sterven.

32 Ten laatste stierf ook de vrouw.

33 Die vrouw dan, wiens vrouw zal zij zijn in de opstanding? Immers, al de zeven hebben haar tot vrouw gehad.

34 En Jezus zeide tot hen: De kinderen dézer eeuw huwen en worden ten huwelijk gegeven;

35 maar zij die waardig gekeurd worden, deel te hebben aan géne eeuw en aan de opstanding uit de dooden, huwen niet en worden niet ten huwelijk gegeven.

36 Immers zij kunnen ook niet meer sterven, want zij zijn aan de engelen gelijk; en zij zijn kinderen Gods, daar zij kinderen der opstanding zijn.

37 En dat de dooden opgewekt worden, heeft ook Mozes te kennen gegeven, bij de geschiedenis van het doornbosch, als hij den Heere noemt den God van Abraham, den God van Izaak en den God van Jakob.

38 God is niet een God van dooden, maar van levenden; want voor Hem leven zij allen.

39 En eenige schriftgeleerden antwoordden: Meester, gij hebt goed gesproken.

40 Want zij waagden het niet meer, hem eenige vraag te stellen.

ziet, maar de weg van God naar waarheid leert.

22 Is het ons geloorloofd, den keizer belasting te betalen, of niet?

23 Maar Hij doorzag hun list, en zei tot hen:

Strikvraag over de verrijzenis. 27 Nu kwamen er enige sadduceën naar Hem toe, die de verrijzenis loochenen; ze ondervroegen Hem,

28 en zeiden: Meester, Moses heeft ons voorgeschreven, dat, zo iemands broer gehuwd is en kinderloos sterft, zijn broer de vrouw moet huwen, en nakomelingschap voor zijn broer moet verwekken.

29 Nu waren er zeven broers. De eerste nam een vrouw, en stierf kinderloos.

30 Nu huwde de tweede haar,

31 ook de derde, en zo verder alle zeven; en ze stierven kinderloos.

32 Ten laatste stierf ook de vrouw.

33 Wi-en van hen zal zij nu bij de verrijzenis als vrouw toebehoren? Ze hebben haar immers alle zeven tot vrouw gehad.

34 Jesus sprak tot hen: De kinderen dezer wereld huwen en worden uitgehuwd.

35 Maar zij, die waardig worden bevonden, deel te hebben aan de andere wereld en aan de verrijzenis uit de doden, zullen huwen noch uitgehuwd worden.

36 Ze kunnen immers niet meer sterven; want ze zijn aan engelen gelijk, en als kinderen der verrijzenis ook kinderen Gods.

37 En dat de doden verrijzen, gaf ook Moses te kennen in het Braambosverhaal, wanneer hij den Heer den God van Abraham, den God van Isaak en den God van Jakob noemt.

38 Hij is toch geen God van doden, maar van levenden; want allen leven voor Hem.

39 Toen namen sommigen van de schriftgeleerden het woord, en zeiden : Meester, Gii hebt goed gesproken ;

40 en ze durfden Hem geen vragen meer stellen.

Matt. 22 : 23—33. Mark. 12 : 18—27.

naar de ogen ziet, maar in waarheid den weg Gods leert;

22 is het ons geoorloofd den keizer belasting te betalen of niet?

23 Doch Hij doorzag hun sluwheid en zeide tot hen:

24 Toont Mij een schelling; wiens beeldenaar en opschrift draagt hij? Zij zeiden: Des keizers.

25 En Hij zeide tot hen: Geeft dan den keizer wat des keizers is, en Gode wat Gods is.

26 En zij konden tegenover het volk op geen woord van Hem vat krijgen. En zij verwonderden zich over zijn antwoord en hielden zich stil.

Matth. 22 : 15—22. Mare. 12 : 13—17.

De vraag naar de opstanding.

27 En tot Hem kwamen enigen der Sadduceeën, die ontkennen, dat er een opstanding is, en zij ondervroegen Hem, en zeiden:

28 Meester, Mozes heeft ons voorgeschreven, dat, indien iemands broeder getrouwd is en kinderloos sterft, zijn broeder dan de vrouw zal nemen, om voor zijn broeder nakomelingschap te verwekken.

Deut. 25 : 5, 6.

29 Nu waren er zeven broeders. En de eerste nam een vrouw en stierf kinderloos.

30 En de tweede nam haar,

31 en de derde, en zo alle zeven, en zij stierven zonder kinderen na te laten.

32 Eindelijk stierf ook de vrouw.

33 Die vrouw dan, van wien van hen zal zij in de opstanding de vrouw zijn? Want alle zeven hebben haar tot vrouw gehad.

34 En Jezus zeide tot hen: De kinderen dezer eeuw huwen en worden ten huwelijk genomen,

35 maar die waardig gekeurd zijn deel te verkrijgen aan die eeuw en aan de opstanding uit de doden, huwen niet en worden niet ten huwelijk genomen.

36 Want zij kunnen niet meer sterven; immers, zij zijn aan de engelen gelijk en zij zijn zonen Gods, omdat zij zonen der opstanding zijn.

37 Maar dat de doden opgewekt worden, heeft ook Mozes bij den braamstruik aangeduid, waar hij den Here noemt den God van Abraham en den God van Izaak en den God van Jakob.

Ex. 3 : 6.

38 Hij is niet een God van doden, maar van levenden, want voor Hem leven zij allen.

39 Enigen van de schriftgeleerden antwoordden en zeiden: Meester, Gij hebt goed gesproken.

40 Want zij waagden het niet meer Hem een vraag te stellen.

Matth. '22 : 23—33. Mare. 12 : 18—27.

24 Toont mij een zilverstuk. Wiens beeltenis en opschrift draagt het? Zij antwoordden: Van den keizer.

25 Toen zeide hij tot hen: Geeft dan den keizer wat des keizers is, en Gode wat Gods is.

26 En zij konden hem tegenover het volk niet op een woord vatten; en verbaasd over zijn antwoord, zwegen zij stil.

24 Toont Mij een tienling; wiens beeld en randschrift draagt hij ? Ze zeiden: Van den keizer.

25 Hij sprak tot hen: Geeft dan den keizer, wat den keizer toekomt, en geeft aan God, wat God toekomt.

26 Ze konden Hem in het bijzijn van het volk niet in zijn eigen woorden verstrikken; ze waren verbaasd over zijn antwoord, en zwegen stil.

Matt. '22 : 15—22. Mark. 12 : 13—17.