is toegevoegd aan uw favorieten.

Het Nieuwe Testament in zes Nederlandse vertalingen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

21 Jezus zeide tot haar: Vrouw! geloof Mij, de ure komt, wanneer gijlieden, noch op dezen berg, noch te Jeruzalem, den Vader zult aanbidden. ..

22 Gijlieden aanbidt, wat gij niet weet; wij aanbidden, wat wij weten; want de zaligheid is uit de Joden.

2 Kon. 17 : '29. Gen. 12 : 3. 18 : 18. 22 : 18. 26 : 4. Hebr. 7 : 14.

23 Maar de ure komt, en is nu, wanneer de ware aanbidders den Vader aanbidden zullen in geest en waarheid.; want de Vader zoekt ook dezulken, die Hem alzoo aanbidden. T_

24 God is een Geest, en die Hem aanbidden, moeten Hem aanbidden in geest en waarheid.

2 Kor. 3 : 17.

25 De vrouw zeide tot Hem: Ik weet, dat de Messias komt (Die genaamd wordt Christus); wanneer Die zal gekomen zijn, zoo zal Hij ons alle dingen verkondigen.

26 Jezus zeide tot haar: Ik ben het, Die met u spreek. Joh. 9 : 37.

21 Jezus zeide tot haar: Vrouw, 21 Jezus zeide tot haar: Vrouw, geloof mij, de tijd komt, dat gij- geloof mij, de ure komt waarin gij lieden noch op dezen berg noch te noch op dezen berg noch te JeruJeruzalem zult aanbidden. zalem den Vader zult aanbidden.

22 Gijlieden weet niet, wat gij 22 Gij aanbidt wat gij niet kent; aanbidt, maar wij weten wat wij wij aanbidden wat wij kennen; aanbidden; want het heil komt want het heil is uit de Joden; van de Joden.

27 En daarop kwamen Zijne discipelen en verwonderden zich, dat Hii met eens vrouw sprak. Nochtans zeide niemand: Wat vraagt Gij? of: Wat spreekt Gij met

28 Zoo verliet de vrouw dan haar watervat, en ging heen in de stad, en zeide tot de lieden:

29 Komt, ziet een Mensch, Die mij gezegd heeft alles, wat ik gedaan heb; is Deze niet de Chris-

tus? , ,

30 Zij dan gingen uit de stad, en ' kwamen tot Hem.

De oogst en de werklieden.

31 En ondertusschen baden Hem de discipelen, zeggende: Rabbi, eet.

32 Maar Hij zeide tot hen: Ik heb eene spijs om te eten, die gij niet weet. .

33 Zoo zeiden dan de discipel-en tegen elkander: Heeft Hem iemand te eten gebracht?

34 Jezus zeide tot hen: Mijne spijs is, dat Ik doe den wil Desgenen, Die Mij gezonden heeft, en Zijn werk volbrenge.

35 Zegt gijlieden niet: Het zijn nog vier maanden, en dan komt de oogst? Ziet, Ik zeg u: Heft uwe oogen op en aanschouwt de landen; want zij zijn aireede wit om te oogsten.

Matt. 9 : 37. Luk. 10 : 2.

36 En die maait, ontvangt loon, en vergadert vrucht ten eeuwigen leven; opdat zich te zamen verblijde, beide, die zaait en die maait.

37 Want hierin is die spreuk waarachtig: Een ander is het, die zaait, en een ander, die maait.

38 Ik heb u uitgezonden, om te maaien, hetgeen gij niet bearbeid hebt; anderen hebben het bearbeid,'en gij zijt tot hunnen arbeid ingegaan.

• 39 En velen der Samaritanen uit die stad geloofden in Hem, om het woord der vrouw, die getuigde: Hij heeft mij gezegd alles, wat ik gedaan heb.

23 Maar de tijd komt en is nu alreeds, dat de ware aanbidders den Vader zullen aanbidden in Geest en in waarheid; want de Vader zoekt ook zulken, die hem alzoo aanbidden.

24 God is Geest, en wie hem aanbidden, moeten hem in Geest en in waarheid aanbidden.

25 De vrouw zeide tot hem: Ik weet, dat de Messias komt (die Christus genoemd wordt); wanneer die zal komen, zal hij het ons alles verkondigen.

26 Jezus zeide tot haar: Ik ben het, die met u spreekt.

Jezus en de Samaritanen.

27 En daarop kwamen zijne jongeren, en verwonderden zich, dat hij met eene vrouw sprak; nochtans zeide niemand: Wat vraagt gij? of: Wat spreekt gij met

28 Toen liet de vrouw hare kruik staan, en ging heen naar de stad, en zeide tot de lieden:

29 Komt, ziet een mensch, die mij gezegd heeft alles wat ik gedaan heb; zou hij niet de Christus zijn?

30 Toen gingen zij uit de stad en kwamen tot hem.

23 maar de ure komt, en is er nu, waarin de ware aanbidders den Vader in geest en waarheid zullen aanbidden. Want de Vader zoekt zulke aanbidders.

24 God is geest, en zij die aanbidden moeten in geest en waarheid aanbidden.

25 De vrouw zeide: Ik weet dat de Messias — dat is: de Christus — zal komen; wanneer die komt, zal hij ons alles verkondigen.

31 En ondertusschen noodigden de jongeren hem, zeggende: Rabbi, eet.

32 Maar hij zeide tot hen: Ik heb eene spijs te eten, die gij niet kent.

33 Toen zeiden de jongeren onder elkander: Heeft iemand hem eten gebracht?

34 Jezus zeide tot hen: Mijne spijs is, dat ik doe den wil desgenen die mij gezonden heeft, en zijn werk volbrenge.

35 Zegt gij niet: Het zijn nog vier maanden, dan komt de oogst? Zie, ik zeg u, heft uwe oogen op en ziet het veld, want het is alreeds wit tot den oogst.

36 En wie maait, die ontvangt loon, en vergadert vrucht ten eeuwigen leven, opdat zij zich met elkander verblijden, beiden die zaait en die maait;

37 want hier is de spreuk waar: Deze zaait, en een ander maait.

38 Ik heb u gezonden om te maaien hetgeen gij niet bearbeid hebt; anderen hebben het bearbeid, en gij zijt in hunnen arbeid gekomen.

39 En velen der Samaritanen uit die stad geloofden aan hem om het woord der vrouw, die getuigde: Hij heeft mij gezegd alles wat ik gedaan heb.

26 Jezus zeide tot haar: Dat ben ik, die met u spreek.

27 Op dit oogenblik kwamen zijn leerlingen en verwonderden er zich over dat hij met een vrouw sprak. Toch zeide geen hunner: Wat verlangt gij of wat spreekt gij met haar?

28 De vrouw liet nu haar emmer staan, liep naar de stad en zeide aan de menschen:

29 Komt eens zien naar een mensch die mij alwat ik gedaan heb gezegd heeft; zou dat niet misschien de Christus zijn?

30 Zij gingen de stad uit en kwamen tot hem.

BjMBFSEg&a ™"

81 Intusschen noodigden de leerlingen hem uit: Rabbi, eet iets.

32 Maar hij zeide tot hen: Ik heb een spijs te eten die gij niet kent.

33 De leerlingen zeiden dan tot elkander: Iemand heeft hem toch geen spijs gebracht ?

34 Jezus zeide tot hen: Mijn spijs is den wil van mijn Zender te doen en zijn werk te volbrengen.

35 Zegt gij niet: Het duurt nog vier maanden voordat de oogst komt? Zie, ik zeg u, heft uwe oogen op en ziet dat de velden reeds den oogst tegenglanzen.

36 De maaier ontvangt loon en zamelt vruchten in voor het eeuwige leven; opdat zaaier en maaier zich samen verheugen.

37 In dit geval wordt het spreekwoord bewaarheid: De een zaait, de ander maait.

38 Ik heb u uitgezonden om een oogst binnen te halen waarvoor gij u geen moeite gegeven hebt. Anderen hebben zich moeite gegeven en gij hebt de vrucht van hun arbeid in ontvangst genomen.

39 Vele Samaritanen uit die stad geloofden in hem op het woord van de vrouw, die getuigde: Hij heeft mij gezegd alwat ik gedaan heb.