Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

20 Want de Vader heeft den Zoon lief, en toont Hem alles, wat Hij doet; en Hij zal Hem grooter werken toonen dan deze, opdat gij u verwondert.

Joh. 1 : 2. 3 : 35. 7 : 16. 8 : 28. 14 : 24.

21 Want gelijk de Vader de dooden opwekt en levend maakt, alzoo maakt ook de Zoon levend, Die Hij wil.

22 Want ook de Vader oordeelt niemand, maar heeft al het oordeel den Zoon gegeven;

Matt. 11 : 27. Joh. 3 : 35.

23 Opdat zij allen den Zoon eeren, gelijk zij den Vader eeren. Die den Zoon niet eert, eert den Vader niet, Die Hem gezonden heeft.

1 Joh. 2 : 23.

24 Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: Die Mijn woord hoort, en gelooft Hem, Die Mij gezonden heeft, die heeft het eeuwige leven, en komt niet in de verdoemenis, maar is uit den dood overgegaan in het leven.

Joh. 3 : 18. 6 : 40, 47. 8 : 51. Luk. 23 : 43.

25 Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: De ure komt, en is nu, wanneer de dooden zullen hooren de stem des Zoons Gods, en die ze gehoord hebben, zullen leven.

Efez. 2 : 1, 5. 1 Tim. 5 : 6.

26 Want gelijk de Vader het leven heeft in Zichzelven, alzoo heeft Hij ook den Zoon gegeven, het leven te hebben in Zichzelven;

27 En heeft Hem macht gegeven, ook gericht te houden, omdat Hij des menschen Zoon is.

28 Verwondert u daar niet over, want de ure komt, in dewelke allen, die in de graven zijn, Zijne stem zullen hooren;

1 Thess. 4 : 16.

29 En zullen uitgaan, die het goede gedaan hebben, tot de opstanding des levens, en die het kwade gedaan hebben, tot de opstanding der verdoemenis.

Dan. 12 : 2. Matt. 25 : 34, 46.

30 Ik kan van Mijzelven niets doen. Gelijk Ik hoor, oordeel Ik, en Mijn oordeel is rechtvaardig; want Ik zoek niet Mijnen wil, maar den wil des Vaders, Die Mij gezonden heeft.

Joh. 6 : 38.

31 Indien Ik van Mijzelven getuig, Mijne getuigenis is niet waarachtig.

Joh. 8 : 14.

32 Er is een ander, die van Mij getuigt, en Ik weet, dat de getuigenis, welke hij van Mij getuigt, waarachtig is.

Jes. 42 : 1. Matt. 3 : 17. 17 : 5.

33 Gijlieden hebt tot Johannes gezonden, en hij heeft der waarheid getuigenis gegeven.

Joh. 1 : 15, 19, 27.

34 Doch Ik neem geene getuigenis van een mensch; maar dit zeg Ik, opdat gijlieden zoudt behouden worden.

35 Hij was eene brandende en lichtende kaars; en gij hebt ulieden voor eenen korten tijd in zijn licht willen verheugen.

36 Maar Ik heb eene getuigenis meerder, dan die van Johannes; want de werken, die Mij de Vader gegeven heeft, om die te volbrengen, dezelve werken, die Ik doe, getuigen van Mij, dat Mij de Vader gezonden heeft.

1 Joh. 5 : 9. Joh. 10 : 25.

37 En de Vader, Die Mij gezon-

20 Want de Vader heeft den Zoon lief, en toont hem alles wat hij doet, en zal hem nog grooter werken toonen dan deze, zoodat gij u verwonderen zult.

21 Want gelijk de Vader de dooden opwekt en levend maakt, alzoo maakt ook de Zoon levend, wien hij wil.

22 Want de Vader oordeelt niemand, maar al het oordeel heeft hij aan den Zoon gegeven,

25 Voorwaar, voorwaar ik zeg u: De ure komt en is nu reeds, dat de dooden de stem van den Zoon Gods zullen hooren, en wie haar hooren zullen, zullen leven;

26 want gelijk de Vader het leven heeft in zichzelven, alzoo heeft Hij aan den Zoon gegeven, het leven te hebben in zichzelven,

27 en heeft hem macht gegeven zelf het oordeel te houden, omdat hij des Menschen Zoon is.

28 Verwondert u niet daarover; want de ure komt, in welke allen, die in de graven zijn, zijne stem zullen hooren, en zullen uitgaan,

29 zij die goed gedaan hebben, tot de opstanding des levens, en die kwaad gedaan hebben, tot de opstanding des oordeels.

30 Ik kan van mijzelven niets doen. Gelijk ik hoor, zoo oordeel ik, en mijn oordeel is recht, want ik zoek niet mijnen wil, maar den wil des Vaders, die mij gezonden heeft.

31 Indien ik van mijzelven getuig, zoo is mijne getuigenis niet waar.

32 Een ander is er, die van mij getuigt, en ik weet, dat de getuigenis waar is, welke Hij van mij getuigt.

33 Gij hebt tot Johannes gezonden, en hij heeft der waarheid getuigenis gegeven.

Joh. l : 19—27.

34 Doch ik neem geen getuigenis van een mensch, maar ik zeg dit, opdat gij zoudt behouden worden.

35 Hij was een brandende en schijnende lamp, en gij hebt een kleinen tijd in zijn licht willen vroolijk zijn.

36 Maar ik heb eene grootere getuigenis dan de getuigenis van Johannes; want de werken, die de Vader mij gegeven heeft om ze te volbrengen, deze werken, die ik doe, getuigen van mij, dat de Vader mij gezonden heeft.

37 En de Vader, die mij gezonden

20 Immers, de Vader heeft den Zoon lief en toont hem alles wat Hijzelf doet, en zal hem nog grooter werken toonen; opdat gij verwonderd moogt staan.

21 Want gelijk de Vader de dooden opwekt en levend maakt, zoo maakt ook de Zoon levend wie hij wil.

22 Ja, de Vader oordeelt niemand maar heeft het geheele oordeel den Zoon in handen gesteld;

25 Voorwaar, voorwaar, ik zeg u, de ure komt en is reeds aangebroken waarin de dooden de stem van den Zoon Gods vernemen en zij die haar vernemen leven zullen.

26 Want gelijk de Vader het leven heeft In Zichzelf, zoo gaf Hij ook den Zoon leven in zichzelf te hebben.

27 En Hij gaf hem de volmacht gericht te houden, omdat hij de Menschenzoon is.

28 Verwondert u hierover niet, want de ure komt waarin allen die in de graven zijn zijn stem zullen vernemen

29 en zullen uitgaan: zij die het goede gedaan hebben tot de opstanding des levens, zij die het kwade verricht hebben tot de opstanding des gerichts.

30 Ik kan uit mijzelf niets doen; ik oordeel naardat ik hoor, en mijn oordeel is rechtvaardig, omdat ik niet naar mijn eigen wil vraag, maar naar den wil van mijn Zender.

31 Indien ik over mijzelf getuigenis afleg, dan is mijn getuigenis niet betrouwbaar;

32 een Ander is het die getuigenis over mij aflegt en ik weet dat de getuigenis die Hij over mij aflegt waarachtig is.

33 Gij hebt een gezantschap naar Johannes gezonden, en hij heeft voor de waarheid getuigenis afgelegd.

34 Maar ik neem geen getuigenis van een mensch aan en zeg dit slechts opdat gij behouden moogt worden.

35 Hij was de brandende, helder schijnende lamp, in welker licht gij u wel voor een wijle hebt willen verheugen.

36 Maar ik heb een getuigenis die van grooter waarde is dan die van Johannes; want de werken die de Vader mij gegeven heeft te volbrengen, die werken die ik doe, die getuigen omtrent mij dat de Vader mij gezonden heeft.

37 En de Vader, die mij zond, Hij

23 opdat allen den Zoon eeren, gelijk zij den Vader eeren. Wie den Zoon niet eert, die eert den Vader niet, die hem gezonden heeft.

24 Voorwaar, voorwaar ik zeg u: Wie mijn woord hoort, en Hem gelooft, die mij gezonden heeft, die heeft het eeuwige leven, en komt niet in het oordeel, maar hij is uit den dood tot het leven overgegaan.

23 opdat allen den Zoon eeren gelijk zij den Vader eeren. Hij die den Zoon niet eert eert den Vader niet, die hem gezonden heeft.

24 Voorwaar, voorwaar, ik zeg u, wie mijn woord hoort en in mijn Zender gelooft heeft het eeuwige leven en komt niet in het gericht, maar is reeds uit den dood in het leven overgegaan.

Sluiten