Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

63 De Geest is het, Die levend maakt; het vleesch is niet nut. De woorden, die Ik tot u spreek, zijn geest en zijn leven.

2 Kor. 3 : 6.

64 Maar er zijn sommigen van alieden, die niet gelooven. Want Jezus wist van den beginne, wie zij waren, die niet geloofden, en wie hij was, die Hem verraden zou.

Joh. 2 : 25. Joh. 13 : 11.

65 En Hij zeide: Daarom heb Ik u gezegd, dat niemand tot Mij komen kan, tenzij dat het hem gegeven zij van Mijnen Vader.

Joh. 6 : 44.

Belijdenis van Petrus. 66 Van toen af gingen velen Zijner discipelen terug, en wandelden niet meer met Hem.

67 Jezus dan zeide tot de twaalven: Wilt gijlieden ook niet weggaan?

68 Simon Petrus dan antwoordde Hem: Heere! tot Wien zullen wij heengaan? Gij hebt de woorden des eeuwigen levens.

Hand. 5 : 20.

69 En wij hebben geloofd en bekend, dat Gij zijt de Christus, de Zoon des levenden Gods.

Matt. 16 : 16. Mark. 8 : 29. Luk. 9 : 20. Joh. 11 : 27.

70 Jezus antwoordde hun: Heb Ik niet u twaalf uitverkoren ? En één uit u is een duivel.

Luk. 6 : 13.

71 En Hij zeide dit van Judas, Simons zoon, Iskariot; want deze zou Hem verraden, zijnde een van de twaalven.

Ongeloof van de broeders van Jezus.

-j 1 En na dezen wandelde Jezus in ' Galiléa; want Hij wilde in Judéa niet wandelen, omdat de Joden Hem zochten te dooden.

2 En het feest der Joden, namelijk de loofhuttenzetting, was nabij.

Lev. 23 : 34.

3 Zoo zeiden dan Zijne broeders tot Hem: Vertrek van hier, en ga heen in Judéa, opdat ook Uwe discipelen Uwe werken mogen aanschouwen, die Gij doet.

4 Want niemand doet iets in het verborgen, en zoekt zelf, dat men openlijk van hem spreke. Indien Gij deze dingen doet, zoo openbaar U zeiven aan de wereld.

5 Want ook Zijne broeders geloofden niet in Hem.

Mark. 3 : 21.

6 Jezus dan zeide tot hen: Mijn tijd is nog niet hier; maar uw tijd is altijd bereid.

7 De wereld kan ulieden niet haten; maar Mij haat zij, omdat Ik van dezelve getuig, dat hare werken boos zijn.

Joh. 14 : 17. 15 : 18. Joh. 3 : 19.

8 Gaat gijlieden op tot dit feest; Ik ga nog niet op tot dit feest; want Mijn tijd is nog niet vervuld.

Joh. 8 : 20.

9 En als Hij deze dingen tot hen gezegd had, bleef Hij in Galiléa.

63 De Geest is het, die levend maakt; het vleesch heeft geen nut. De woorden, die ik tot u spreek, zijn geest en leven.

64 Maar er zijn sommigen onder u, die niet gelooven. Want Jezus wist van den beginne, wie niet geloofden, en wie hem verraden zou.

65 En hij zeide: Daarom heb ik u gezegd: Niemand kan tot mij komen, tenzij dat het hem gegeven zij van mijnen Vader.

Petrus' belijdenis. 66 Van toen af gingen velen van zijne jongeren terug, en wandelden voortaan niet meer met hem.

67 Toen zeide Jezus tot de twaalve: Wilt gij ook niet weggaan?

68 Doch Simon Petrus antwoordde hem: Heer, tot wien zouden wij heengaan? Gij hebt woorden des eeuwigen levens;

69 en wij hebben geloofd en erkend, dat gij zijt de Christus, de Zoon des levenden Gods.

Matth. 16 : 16.

70 Jezus antwoordde hun: Heb ik niet u twaalve verkoren? En één van u is een duivel.

71 Hij nu sprak van Judas, Simons zoon, Iskariot; want deze zou hem verraden, en was een van de twaalve.

Jezus en zijn broeders.

1 Daarna trok Jezus rond in Galiléa; want hij wilde in Judéa niet rondtrekken, omdat de Joden naar zijn leven stonden.

2 En het feest der Joden, het Loofhuttenfeest, was nabij.

3 Toen zeiden zijne broeders tot hem: Maak u op van hier en ga naar Judéa, opdat ook uwe jongeren de werken zien, die gij doet;

4 want niemand doet iets in het verborgen, die zelf openbaar erkend wil zijn. Doet gij nu dergelijke dingen, zoo openbaar u voor de wereld.

5 Want ook zijne broeders geloofden niet in hem.

Mare. 3 : 21.

6 Toen zeide Jezus tot hen: Mijn tijd is er nog niet; maar uw tijd is er altoos.

7 De wereld kan u niet haten; maar mij haat zij, want ik getuig van haar, dat hare werken boos zijn.

8 Gaat gij op naar dit feest: ik wil nog niet opgaan naar dit feest, want mijn tijd is nog niet vervuld.

Meeningsverschïl onder de Joden.

9 En toen hij dit tot hen gezegd had, bleef hij in Galiléa.

63 De geest is dat wat leven brengt; het vleesch is volstrekt onnut. De woorden die ik tot u gesproken heb zijn geest en zijn leven.

64 Maar onder u zijn er die niet gelooven. Want Jezus wist van den beginne af, wie het waren die niet geloofden en wie het was die hem zou overleveren.

65 En hij zeide: Daarom heb ik u gezegd dat niemand tot mij komen kan tenzij het hem van den Vader gegeven is.

66 Van toen af trokken vele zijner leerlingen zich terug en bleven niet langer bij hem.

67 En Jezus zeide tot de Twaalve: Wilt ook gij niet heengaan?

68 Simon Petrus antwoordde: Heer, tot wien zouden wij heengaan ? Gij hebt woorden van eeuwig leven,

69 en wij gelooven en erkennen dat gij Gods heilige zijt.

70 Jezus antwoordde hun: Heb ik niet u, Twaalve, uitverkoren? En een uit u is een duivel.

71 Hiermee bedoelde hij Judas den zoon van Simon van Iskariot; want die zou hem overleveren, een van de Twaalve.

Groeiende haat der vijanden van Jezus. Jezus en zijn broeders. Prediking van Jezus in den tempel. Poging hem gevangen te hemen.

1 Daarna trok Jezus in Galiléa rond; want hij wilde niet in Judea verkeeren, omdat de Joden hem zochten te dooden.

2 Doch bij de nadering van het Loofhuttenfeest der Joden

3 zeiden zijn broeders tot hem: Vertrek van hier en begeef u naar Judea; opdat ook uw leerlingen de werken die gij doet zien;

4 want niemand die zijn best doet op aller tong te zijn doet iets in het verborgen. Indien gij die dingen doet, vertoon u aan de wereld.

5 Want zelfs zijn broeders geloofden niet in hem.

6 Jezus zeide tot hen: Mijn tijd is nog niet gekomen, uw tijd is altijd daar.

7 De wereld kan u niet haten, maar zij haat mij, omdat ik van haar werken getuig dat ze boos zijn.

8 Gaat gij maar naar het feest op; ik ga naar dit feest nog niet op; want mijn tijd is nog niet ten einde.

9 Na dit gezegd te hebben bleef hij in Galiléa.

Sluiten