Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

10 Toen richtte Jezus zich op en zeide tot haar: Vrouw, waar zijn zij ? heeft niemand u veroordeeld ?

11 Zij zeide: Niemand, Heer. En Jezus zeide: Zoo veroordeel ik u ook niet; ga heen, en zondig van nu af niet meer. —]

Jezus, het licht der wereld, door de Farizeën verworpen. 12 En Jezus sprak andermaal tot hen: Ik ben het licht der wereld, wie mij volgt, zal niet wandelen in de duisternis, maar hij zal het licht des levens hebben.

13 De Farizeën dan zeiden tot hem: Gij getuigt aangaande uzelf; uw getuigenis is niet waarachtig.

15 Gij oordeelt naar het uiterlijk, ik oordeel niemand;

16 en indien ik ook oordeel, mijn oordeel is waarachtig, omdat ik niet alleen ben, maar hij met mij is, die mij gezonden heeft.

17 En in uwe wet staat geschreven, dat het getuigenis van twee menschen waarachtig is.

18 Ik ben het, die aangaande mijzelf getuig; en ook de Vader die mij gezonden heeft, getuigt van mij.

19 Zij dan zeiden tot hem: Waar is uw vader? Jezus antwoordde: Noch mij kent gij, noch mijn Vader; indien gij mij kendet, zoudt gij ook mijn Vader kennen.

20 Deze woorden sprak hij bij de schatkamer, toen hij in den tempel onderricht gaf. En niemand greep hem, omdat zijn uur nog niet gekomen was.

22 De Joden dan zeiden: Hij zal toch zichzelf niet dooden, — omdat hij zegt: waar ik heenga, kunt gij niet komen?

23 En hij zeide tot hen: Gij zijt van hier beneden, ik ben van daar boven; gij zijt van deze wereld, ik ben niet van deze wereld.

24 Daarom heb ik u gezegd: gij zult in uwe zonden sterven, want indien gij niet gelooft, dat ik het ben, zoo zult gij in uwe zonden sterven.

25 Zij dan zeiden tot hem: Wie zijt gij? Jezus zeide tot hen: Waarom spreek ik eigenlijk tot u?

10 Nu richtte Jesus Zich op, en sprak tot haar: Vrouw, waar zijn ze gebleven ? Heeft niemand u veroordeeld ?

11 Zij zeide: Niemand, Heer. En Jesus sprak: Ook Ik veroordeel u niet; ga heen, en zondig voortaan niet meer.

Jesus het licht der wereld.

12 Een ander maal richtte Jesus het woord tot hen, en sprak: Ik ben het licht der wereld. Wie Mij volgt, zal niet in de duisternis wandelen, maar het licht des levens bezitten.

13 Maar de farizeën zeiden tot Hem: Gij getuigt over Uzelf; uw getuigenis is dus niet geldig.

15 Gij oordeelt naar het vlees; Ik oordeel niemand. —

16 Maar al zou Ik ook oordelen, dan zou mijn oordeel geldig zijn; want Ik ben niet alleen, maar met Mij is de Vader, die Mij heeft gezonden.

17 Welnu, in uw Wet staat geschreven: het getuigenis van twee mensen is geldig.

18 Ik ben het, die over Mijzelf getuig; maar ook de Vader, die Mij gezonden heeft, getuigt over Mij.

19 Ze zeiden Hem dan: Waar is uw Vader? Jesus antwoordde: Gij kent noch Mij, noch mijn Vader; zo gij Mij zoudt kennen, dan zoudt gij ook mijn Vader kennen.

20 Deze woorden sprak Jesus bij de schatkamer, tijdens zijn onderricht in de tempel. En niemand nam Hem gevangen, omdat zijn uur nog niet was gekomen.

22 De joden zeiden: Hij zal toch geen zelfmoord plegen, dat Hij zegt: Waar Ik heenga, kunt gij niet komen?

23 Hij sprak tot hen: Gij zijt van beneden, Ik ben van boven; gij zijt van deze wereld, Ik ben niet van deze wereld.

24 Daarom heb Ik u gezegd, dat gij sterven zult in uw zonden; want zo gij niet gelooft, dat Ik het ben, zult gij sterven in uw zonden. —

25 Ze zeiden Hem dan: Gijzelf, wie zijt Gij ? Jesus zei hun: Eigenlijk gezegd, waarom zou Ik daarover nog met u spreken?

10 En Jezus richtte zich op en zeide tot haar: Vrouw, waar zijn zij ? Heeft niemand u veroordeeld ?

11 En zij zeide: Niemand, Here. En Jezus zeide: Dan veroordeel Ik u ook niet; Ga heen, zondig van nu af niet meer!]

Het licht der wereld. 12 Wederom dan sprak Jezus tot hen en zeide: Ik ben het licht der wereld; wie Mij volgt, zal nimmer in de duisternis wandelen, maar hij zal het licht des levens hebben.

13 De Parizeeën dan zeiden tot Hem: Gij getuigt van Uzelf, uw getuigenis is niet waar.

14 Jezus antwoordde en zeide tot hen: Ook al getuig Ik van Mijzelf, toch is mijn getuigenis waar, want Ik weet, vanwaar Ik gekomen ben en waar Ik heen ga; maar gij weet niet, vanwaar Ik kom of waar Ik heen ga.

15 Gij oordeelt naar het vlees,

16 Ik oordeel niemand, en indien Ik al oordeel, dan is mijn oordeel waarachtig, want Ik ben niet alleen, maar Ik en die Mij gezonden heeft.

17 En ook in uw wet staat geschreven, dat het getuigenis van twee mensen waar is;

Deut. 19 : 51.

18 Ik ben het, die van Mijzelf getuig, en ook de Vader, die Mij gezonden heeft, getuigt van Mij.

19 Zij dan zeiden tot Hem: Waar is uw Vader? Jezus antwoordde: Noch Mij, noch mijn Vader kent gij: Indien gij Mij kendet, zoudt gij ook mijn Vader kennen.

20 Deze woorden sprak Jezus bij de schatkamer, lerende in den tempel; en niemand greep Hem, want zijn ure was nog niet gekomen.

Twistgesprek met de Joden.

21 Hij zeide dan wederom tot hen: Ik ga heen en gij zult Mij zoeken en in uw zonde zult gij sterven; waar Ik heen ga, kunt gij niet komen.

22 De Joden dan zeiden: Hij zal toch geen zelfmoord plegen, dat Hij zegt: waar Ik heen ga, kunt gij niet komen?

23 En Hij zeide tot hen: Gij zijt van beneden, Ik ben van boven; gij zijt van deze wereld, Ik ben niet van deze wereld.

24 Ik heb u dan gezegd, dat gij in uw zonden zult sterven; want indien gij niet gelooft, dat Ik het ben, zult gij in uw zonden sterven.

25 Zij dan zeiden tot Hem: Wie zijt Gij? Jezus zeide tot hen: Wat spreek Ik eigenlijk nog met u?

14 Jezus antwoordde hun: Zelfs indien ik aangaande mijzelf getuig, zoo is toch mijn getuigenis waarachtig, omdat ik weet, vanwaar ik gekomen ben en waarheen ik ga, doch gij weet niet, vanwaar ik kom of waarheen ik ga.

14 Jesus antwoordde hun, en sprak: Ook als Ik over Mijzelf getuig, is mijn getuigenis geldig; want Ik weet, vanwaar Ik gekomen ben en waarheen Ik ga; maar gij weet niet, vanwaar Ik kom, en waarheen Ik ga.

De Joden zullen in hun zonden sterven.

21 Hij sprak dan andermaal tot hen: Ik ga heen en gij zult mij zoeken, en in uwe zonden zult gij sterven; waar ik heenga, kunt gij niet komen.

De noodzakelijkheid van het geloof in Jesus. 21 Een ander maal sprak Jesus tot hen: Ik ga heen, en gij zult Mij zoeken, en in uw zonde zult gij sterven. Waar ik heenga, kunt gij niet komen.

Sluiten