is toegevoegd aan uw favorieten.

Het Nieuwe Testament in zes Nederlandse vertalingen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

39 En Jezus zeide: Ik ben tot een oordeel in deze wereld gekomen, opdat degenen, die niet zien, zien mogen, en die zien, blind worden.

Joh. 3 : 17. 12 : 47. Matt. 13 : 13.

40 En dit hoorden eenigen uit de Farizeën, die bij Hem waren, en zeiden tot Hem: Zijn wij dan ook blind?

41 Jezus zeide tot hen: Indien gij blind waart, zoo zoudt gij geene

zonae neDD-en; maar nu icgi. gy. Wij zien; zoo blijft dan uwe zonde.

Gelijkenis van den goeden Herder. trv 1 Voorwaar, voorwaar zeg Ik u~ lu lieden: Die niet ingaat door de deur in den stal der schapen, maar van elders inklimt, die is een dief en moordenaar.

2 Maar die door de deur ingaat, is een herder der schapen.

3 Dezen doet de deurwachter open, en de schapen hooren zijne stem; en hij roept zijne schapen bij name, en leidt ze uit.

4 En wanneer hij zijne schapen uitgedreven heeft, zoo gaat hij voor hen heen; en de schapen volgen hem, overmits zij zijne stem kennen.

5 Maar eenen vreemde zullen zy geenszins volgen, maar zullen van hem vlieden; overmits zij de stem des vreemden niet kennen.

'/ïfh*

6 Deze gelijkenis zeide Jezus tot hen; maar zij verstonden niet, wat het was, dat Hij tot hen sprak.

7 Jezus dan zeide wederom tot hen- Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: Ik ben de Deur der schapen.

8 Allen, zoovelen als er voor Mij zijn gekomen, zijn dieven en moordenaars; maar de schapen hebben hen niet gehoord.

9 Ik ben de Deur; indien iemand door Mij ingaat, die zal behouden worden; en hij zal ingaan en uitgaan. en weide vinden.

5 ' Joh. 14 : 6.

10 De dief komt niet, dan opdat hij stele, en slachte, en verderve; Ik ben gekomen, opdat zij het leven hebben, en overvloed hebben.

11 Ik ben de goede Herder; de goede herder stelt zijn leven voor de schapen. Jes. 40 :11. Ezec. 34 : 23.

Hebr. 13 : 20.1 Petr. 5 : 4.

12 Maar de huurling, en die geen herder is, wien de schapen niet eigen zijn, ziet den wolf komen, en verlaat de schapen, en vliedt; en de wolf grijpt ze, en verstrooit de schapen.

Zach. 11 :16.

13 En de huurling vliedt, overmits hij een huurling is, en heeft geene zorg voor de schapen.

14 Ik ben de goede Herder; en Ik ken de Mijnen, en worde van de Miinen gekend.

J 2 Tim. 2 : 19.

15 Gelijkerwijs de Vader Mij kent, alzoo ken Ik ook den Vader; en Ik stel Mijn leven voor de schapen.

Matt. 11:27. Luk. 10.22. Joh. 6:46. 7:29.

16 Ik heb nog andere schapen, die van dezen stal niet zijn; deze moet Ik ook toebrengen; en zij zullen Mijne stem hooren; en het zal worden ééne kudde, en één Herder.

Ezech. 37 : 22.

39 En Jezus zeide: Ik ben tot een oordeel in deze wereld gekomen, opdat die niet zien, ziende worden, en die zien, blind worden.

40 En dit hoorden sommigen van de Farizeën, die bij hem waren, en zeiden tot hem: Zijn wij dan ook blind?

41 Jezus zeide tot hen: Waart gij blind, dan zoudt gij geene zonde hebben; maar nu gij zegt: Wij zijn ziende, blijft uwe zonde.

39 En Jezus zeide: Tot een oordeel ben ik in deze wereld gekomen; hun die niet zien worden de oogen geopend, zij die zien worden blind.

40 Dit hoorden eenige Farizeën, die bij hem waren, en zij zeiden tot hem: Ook wij zijn toch niet blind ?

41 Jezus zeide tot hen: Indien gij blind waart zoudt gij geen zonde hebben; maar nu gij zegt: Wij zien — nu blijft uw zonde.

De goede Herder.

1 Voorwaar, voorwaar ik zeg u: Wie niet door de deur ingaat in den schaapsstal, maar van elders inklimt, die is een dief en moordenaar;

2 maar wie door de deur ingaat, die is een herder der schapen.

3 Dezen doet de deurwachter open, en de schapen hooren zijne stem; en hij roept zijne schapen bij name, en leidt ze uit.

4 En als hij zijne schapen uitgelaten heeft, gaat hij voor hen uit, en de schapen volgen hem, want zij kennen zijne stem.

5 Doch een vreemde volgen zij niet, maar vlieden van hem, want zij kennen de stem der vreemden niet.

Jezus de goede herder.

1 Voorwaar, voorwaar, ik zeg u, wie niet door de deur in de schaapskooi binnenkomt maar van elders inklimt, die is een dief en roover;

2 wie door de deur binnenkomt is een herder der schapen.

3 Hem opent de deurwachter; de schapen hooren naar zijn stem; hij roept zijn eigen schapen bij hun naam en brengt ze naar buiten.

4 Wanneer hij alle die hem toebehooren naar buiten heeft gedreven, gaat hij voor hen uit, en de schapen volgen hem, omdat zij zijn stem kennen.

5 Zij zullen een ander niet volgen, maar van hem vluchten, omdat zij de stem van die vreemden niet kennen.

6 Deze vergelijking zeide Jezus 6 Deze beeldspraak gebruikte tot hen, maar zij verstonden niet Jezus voor hen, maar zij begrepen wat het was, dat hij tot hen zeide. niet, waarover hij tot hen sprak.

7 Toen zeide Jezus wederom tot hen: Voorwaar, voorwaar ik zeg u: Ik ben de deur der schapen.

8 Allen, die vóór mij gekomen zijn, zijn dieven en moordenaars geweest; maar de schapen hebben naar hen niet gehoord.

9 Ik ben de deur: zoo iemand door mij ingaat, zal hij zalig worden, en hij zal in- en uitgaan en weide vinden.

10 Een dief komt niet dan opdat hij stele, slachte en verderve; ik ben gekomen, opdat zij het leven en overvloed zouden hebben.

11 Ik ben de goede herder. De goede herder laat zijn leven voor de schapen;

12 maar de huurling, die geen herder is, wien de schapen niet toebehooren, ziet den wolf komen en verlaat de schapen, en vliedt, en de wolf grijpt en verstrooit de schapen;

7 Nu hief Jezus opnieuw aan: Voorwaar, voorwaar, ik zeg u: Ik ben de deur der schapen.

8 Zoovelen vóór mij zijn gekomen zijn allen dieven en roovers; maar de schapen luisterden niet naar hen.

9 Ik ben de deur; indien iemand door mij binnengaat, zal hij gered worden, in- en uitgaan en weide vinden.

10 De dief komt alleen om te stelen, te slachten en te verderven; ik ben gekomen opdat zij het leven en overvloed zouden hebben.

11 Ik ben de goede herder. De goede herder staat zijn leven voor de schapen af.

12 De huurling en wie geen herder is, wien de schapen niet toebehooren, ziet den wolf komen, verlaat de schapen en neemt de vlucht — en de wolf rooft en verstrooit ze —

13 en de huurling vliedt, omdat hij een huurling is, en geen hart voor de schapen heeft.

14 Ik ben de goede herder, en ken de mijnen en wordt van de mijnen gekend;

15 gelijk de Vader mij kent, en ik den Vader ken; en ik laat mijn leven voor de schapen.

16 En ik heb nog andere schapen, die niet van dezen zal zijn; deze moet ik ook toebrengen, en zij zullen mijne stem hooren, en het zal ééne kudde en één herder worden.

13 want hij is een huurling en bekommert zich niet om de schapen.

14 Ik ben de goede herder; ik ken de mijnen; en de mijnen kennen mij,

15 zooals de Vader mij kent en ik den Vader ken; en ik sta mijn leven voor de schapen af.

16 Nog andere schapen heb ik, die niet uit deze kooi zijn. Ook die moet ik leiden; zij zullen mijn stem hooren, en het zal zijn: éen kudde éen herder.