is toegevoegd aan uw favorieten.

Het Nieuwe Testament in zes Nederlandse vertalingen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Vervolging en verdrukking. Overwinning der wereld.

29 Zijn discipelen zeiden: Zie, nu spreekt gij vrijuit, en gij gebruikt geen beeldspraak.

30 Nu weten wij, dat gij alles weet en niet noodig hebt, dat iemand u vrage; daarom gelooven wij, dat gij van God zijt uitgegaan.

31 Jezus antwoordde hun: Gelooft gij nu?

32 Zie, de ure komt — ja, zij is gekomen •—, dat gij verstrooid wordt, een ieder naar zijn woonplaats, en gij mij alleen laat. Nochtans ben ik niet alleen, want de Vader is met mij.

33 Deze dingen heb ik tot u gesproken, opdat gij in mij vrede hebt. In de wereld hebt gij verdrukking, maar hebt goeden moed: ik heb de wereld overwonnen.

Hoogepriesterlijk gebed. Verheerlijking van Jezus. 1 Zoo had Jezus gesproken. Toen hief hij zijne oogen op naar den hemel en zeide: Vader, de ure is gekomen: verheerlijk uwen Zoon, dan zal uw Zoon u verheerlijken;

2 gelijkerwijs gij hem macht gegeven hebt over alle vleesch, zoo zal hij eeuwigheidsleven schenken aan alles, wat gij hem gegeven hebt.

3 Dit nu is het eeuwigheidsleven, dat zij u kennen, den eenigen waarachtigen God, en hem, dien gij gezonden hebt: Jezus Christus.

4 Ik heb u op de aarde verheerlijkt, door het werk te voleindigen, dat gij mij te doen hebt gegeven.

5 En nu, verheerlijk gij mij, Vader, bij uzelf, met de heerlijkheid die ik bij u had, eer de wereld was.

Heiliging der geloovigen in ware Godskennis.

6 Ik heb uwen naam geopenbaard aan de menschen, die gij mij uit de wereld gegeven hebt. Zij waren de uwen, en gij hebt ze mij gegeven, en zij hebben uw woord bewaard.

7 Nu erkennen zij, dat al wat gij mij gegeven hebt, van u afkomstig is.

8 Want de woorden, die gij mij gegeven hebt, heb ik hun gegeven en zij hebben ze aangenomen; en zij hebben waarlijk erkend, dat ik van u ben uitgegaan; en zij zijn tot het geloof gekomen, dat gij mij gezonden hebt.

9 Ik bid voor hen; niet voor de wereld bid ik, maar voor hen, die gij mij gegeven hebt; want zij zijn de uwen

10 — en al het mijne is het uwe en het uwe is het mijne — en ik ben in hen verheerlijkt geworden.

11 En ik ben niet langer in de wereld, maar zij zijn in de wereld, en ïk kom tot u. Heilige Vader bewaar hen in uwen naam, welken

29 Zijn leerlingen zeiden tot Hem: Zie, nu spreekt Gij onbewimpeld, en zegt geen gelijkenis meer.

30 Nu zien we, dat Gij alles weet, en dat het niet nodig is, dat iemand u ondervraagt; daarom geloven we, dat Gij van God zijt uitgegaan.

31 Jesus antwoordde hun: Gelooft gij nu inderdaad?

32 Ziet, het uur komt, en het is reeds gekomen, dat gij verstrooid wordt, ieder zijns weegs, en Mij alleen laat staan. Maar Ik ben niet alleen, want met Mij is de Vader. —

33 Dit alles heb Ik u gezegd, opdat gij vrede moogt hebben in Mij. In de wereld hebt gij verdrukking

te irjcten; maar scnept moea: ik

neb de wereld overwonnen.

Jesus bidt voor Zichzelf. 1 Zo sprak Jesus. Toen sloeg Hij zijn ogen ten hemel en zeide: Vader, het uur is gekomen; verheerlijk uw Zoon, opdat uw Zoon U verheerlijke.

2 Want Gij hebt Hem macht gegeven over alle vlees, om het eeuwige leven te schenken aan allen, die Gij Hem hebt gegeven.

3 Dit nu is het eeuwige leven, dat zij U kennen, den enig waarachtigen God, en Hem, dien Gij gezonden hebt, Jesus Christus.

4 Ik heb U verheerlijkt op aarde, door het werk te volbrengen, dat Gij Mij hebt opgedragen.

5 En nu Vader, verheerliik Mii bil

Uzelf met de heerlijkheid, die Ik bij U bezat, eer de wereld bestond.

Jesus bidt voor de apostelen.

6 Ik heb uw naam bekend gemaakt aan de mensen, die Gij Mij gegeven hebt uit de wereld. Ze waren de uwen; maar Gij hebt ze Mij gegeven, en ze hebben uw woord onderhouden.

7 Nu weten ze, dat al wat Gij Mij hebt gegeven, van U afkomstig is.

8 Want Ik heb hun de woorden gebracht, die Gij Mij hebt gegeven; zij namen ze aan, erkenden naar waarheid, dat Ik van U ben uitgegaan en geloofden, dat Gij Mij gezonden hebt.

9 Ik bid voor hen; Ik bid niet voor de wereld, maar voor hen, die Gij Mij hebt gegeven, omdat ze de uwen zijn.

10 Al het mijne is het uwe, en het uwe het mijne; Ik ben verheerlijkt in hen.

11 Voortaan ben Ik niet meer in de wereld; maar zij blijven in de wereld, terwijl Ik tot U kom. Heilige Vader, bewaar hen in uw

29 Zijn discipelen zeiden: Zie, nu spreekt Gij vrijuit, zonder beeldspraak te gebruiken.

30 Nu weten wij, dat Gij alles weet en niet nodig hebt, dat iemand U vraagt; hierom geloven wij, dat Gij van God zijt uitgegaan.

31 Jezus antwoordde hun: Gelooft gij thans?

32 Zie, de ure komt en is gekomen, dat gij verstrooid wordt, een ieder naar het zijne en Mij alleen laat. En toch ben Ik niet alleen, want de Vader is met Mij.

33 Dit heb Ik tot u gesproken, opdat gij in Mij vrede hebt. In de wereld lijdt gij verdrukking, maar houdt goeden moed, Ik heb de wereld overwonnen.

Het Hogepriesterlijk gebed. 1 Dit sprak Jezus en Hij hief zijn 17 ogen ten hemel en zeide: Vader, de ure is gekomen,; verheerlijk uw Zoon, opdat uw Zoon U verheerlijke,

2 gelijk Gij Hem macht hebt gegeven over alle vlees, om aan al wat Gij Hem gegeven hebt, eeuwig leven te schenken.

3 Dit nu is het eeuwige leven, dat zij U kennen, den enigen

waarachtigen God, en Jezus Christlus, dien Gij gezonden hebt.

4 Ik heb U verheerlijkt op de aarde door het werk te voleindigen, dat Gij Mij te doen gegeven hebt.

5 En nu, verheerlijk Gij Mij, Vader, bij Uzelf met de heerlijkheid, die Ik bij U had, eer de wereld was.

6 Ik heb uw naam geopenbaard aan de mensen, die Gij Mij uit de wereld gegeven hebt. Zij behoorden U toe en Gij hebt hen Mij gegeven en zij hebben uw woord bewaard.

7 Nu weten zij, dat al wat Gij Mij gegeven hebt, van U komt,

8 want de woorden, die Gij Mij gegeven hebt, heb Ik hun gegeven en zij hebben ze aangenomen en in waarheid erkend, dat Ik van U ben uitgegaan, en zij hebben geloofd, dat Gij Mij gezonden hebt.

9 Ik bid voor hen; niet voor de wereld bid Ik U, maar voor hen, die Gij Mij gegeven hebt, want zij zijn van U,

10 en al het mijne is het uwe en het uwe is het mijne, en Ik ben in hen verheerlijkt.

11 En Ik ben niet meer in de wereld, maar zij zijn in de wereld, en Ik kom tot U. Heilige Vader, bewaar hen in uw naam, dien Gij