Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Mij gegeven hebt, opdat zij één zijn, gelijk als Wij.

12 Toen Ik met hen in de wereld was, bewaarde Ik ze in Uwen Naam. Die Gij Mij gegeven hebt, heb Ik bewaard, en niemand uit hen is verloren gegaan, dan de zoon der verderfenis, opdat de Schrift vervuld worde.

Joh. 6 : 39. 10 : 28. 18 : 9. Jes. 8 : 18. Hebr. 2 : 13. Ps. 109 : 8.

13 Maar nu kom Ik tot U, en spreek dit in de wereld, opdat zij Mijne blijdschap vervuld mogen hebben in zichzelven.

14 Ik heb hun Uw woord gegeven; en de wereld heeft ze gehaat, omdat zij van de wereld niet zijn, gelijk als Ik van de wereld niet ben.

Joh. 15 : 19.

15 Ik bid niet, dat Gij hen uit de wereld wegneemt, maar dat Gij hen bewaart van den booze.

16 Zij zijn niet van de wereld, gelijkerwijs Ik van de wereld niet ben.

17 Heilig ze in Uwe waarheid; Uw woord is de waarheid.

Joh. 8 : 40.

18 Gelijkerwijs Gij Mij gezonden hebt in de wereld, alzoo heb Ik hen ook in de wereld gezonden.

Joh. 20 : 21.

19 En Ik heilige Mijzelven voor hen, opdat ook zij geheiligd mogen zijn in waarheid.

1 Kor. 1 : 2, 30.1 Thess. 4 : 7.

20 En Ik bid niet alleen voor dezen, maar ook voor degenen, die door hun woord in Mij gelooven zullen.

21 Opdat zij allen één zijn, gelijkerwijs Gij, Vader! in Mij, en Ik in U, dat ook zij in Ons één zijn; opdat de wereld geloove, dat Gij Mij gezonden hebt.

Joh. 10 : 38. 14 : 11. Gal. 3 : 28.

22 En Ik heb hun de heerlijkheid gegeven. die Gii Mii gegeven hebt;

opdat zij één zijn, gelijk als Wij Eén zijn;

23 Ik in hen, en Gij in Mij; opdat zij volmaakt zijn in één, en opdat de wereld bekenne, dat Gij Mij gezonden hebt, en hen liefgehad hebt, gelijk Gij Mij liefgehad hebt.

Gij mij gegeven hebt; opdat zij één zijn, gelijk wij.

12 Terwijl ik bij hen in de wereld was, onderhield ik hen in uwen naam; wie Gij mij gegeven hebt, die heb ik bewaard, en er is niemand van hen verloren gegaan, dan alleen de zoon des verderfs, opdat de Schrift vervuld worde.

13 Maar nu kom ik tot U, en spreek dit in de wereld, opdat zij mijne blijdschap volkomen in zich hebben.

14 Ik heb hun uw woord gegeven, en de wereld haat hen; want zij zijn niet van de wereld, gelijk ik ook niet van de wereld ben.

15 Ik bid niet, dat Gij hen van de wereld neemt, maar dat Gij hen bewaart voor den kwade.

16 Zij zijn niet van de wereld, gelijk ik ook niet van de wereld ben.

17 Heilig hen in uwe waarheid; uw woord is waarheid.

18 Gelijk Gij mij gezonden hebt in de wereld, zoo zend ik hen ook in de wereld;

19 en ik heilig mijzelven voor hen, opdat ook zij geheiligd mogen zijn in de waarheid.

20 En ik bid niet alleen voor hen, maar ook voor degenen, die door hun woord in mij gelooven zullen,

21 opdat zij allen één zijn, gelijk Gij, Vader in mij, en ik in Ü; opdat ook zij in ons één zijn, opdat de wereld geloove, dat Gij mij gezonden hebt.

22 En ik heb hun gegeven de heerlijkheid, die Gij mij gegeven hebt, opdat zij één zijn, gelijk wij één ziin:

23 ik in hen, en Gij in mij; opdat zij volkomen tot één zijn, en de wereld erkenne, dat Gij mij gezonden hebt, en hen liefhebt, gelijk Gij mij liefhebt.

dien Gij mij gegeven hebt; opdat zij éen mogen zijn als wij.

12 Zoolang ik bij hen was heb ik hen bewaard door de kracht van uw naam, dien Gij mij gegeven hebt; ik heb over hen gewaakt en niemand uit hen is verloren gegaan; behalve de zoon des verderfs, opdat de Schrift vervuld werd.

13 Doch nu kom ik tot U, en ik spreek dit uit in de wereld opdat zij de vreugd die ik bezit volkomen in zich mogen bezitten.

14 Ik heb hun uw woord gegeven, en de wereld heeft hen gehaat; want zij zijn niet van de wereld, gelijk ik niet van de wereld ben.

15 Ik bid niet dat Gij hen uit de wereld wegneemt, maar dat Gij hen bewaart voor den Booze.

16 Zij zijn evenmin uit de wereld als ik;

17 wijd hen door de waarheid; uw woord is de waarheid.

18 Zooals Gij mij gezonden hebt tot de wereld, heb ook ik hen gezonden;

19 en ik wijd mij voor hen; opdat ook zij gewijd mogen zijn door de waarheid.

20 Niet alleen voor hen bid ik, maar ook voor hen die door hun woord in mij gelooven;

21 opdat allen éen zijn, zooals Gij, Vader, in mij en ik in U — dat ook zij in ons éen zijn — opdat de wereld geloove dat Gij mij gezonden hebt.

22 Ik heb hun de heerlijkheid gegeven die Gij mij gegeven hebt; opdat zij éen zijn zooals wij éen zijn,

23 ik in hen en Gij in mij — dat zij volkomen éen mogen zijn — opdat de wereld wete dat Gij mij hebt gezonden, en hen liefgehad zooals Gij mij hebt liefgehad.

24 Vader! Ik wil, dat waar Ik ben, ook die bij Mij zijn, die Gij Mij gegeven hebt; opdat zij Mijne heerlijkheid mogen aanschouwen, die Gij Mij gegeven hebt; want Gij hebt Mij liefgehad, voor de grondlegging der wereld.

Joh. 12 : 26. 14 : 3.

25 Rechtvaardige Vader! de wereld heeft U niet gekend; maar Ik heb U gekend, en dezen hebben bekend, dat Gij Mij gezonden hebt.

Joh. 15 : 21. 16 : 3. Joh. 16 : 27. 17 : 8.

26 En Ik heb hun Uwen Naam bekend gemaakt, en zal Hem bekend maken; opdat de liefde, waarmede Gij Mij liefgehad hebt, in hen zij, en Ik in hen.

De gevangenneming. io 1 Jezus, dit gezegd hebbende, ging uit met Zijne discipelen over de beek Kedron, waar een hof was, in welken Hij ging, en Zijne discipelen.

2 Sam. 15 : 23. Matt. 26 : 36.

Mark. 14 : 32. Luk. 22 : 39.

^4: V ctuer, in. Wil, UclL W aai liY UC11,

ook diegenen bij mij zijn, die Gij mij gegeven hebt, opdat zij mijne heerlijkheid zien, die Gij mij ge¬

geven hebt; want (iij hebt mij liefgehad, eer de grond der wereld gelegd was.

25 Rechtvaardige Vader, de wereld kent U niet; maar ik ken U, en dezen erkennen, dat Gij mij gezonden hebt;

26 en ik heb hun uwen naam bekend gemaakt en zal hem bekendmaken, opdat de liefde, met welke Gij mij liefhebt, in hen zij, en ik in hen.

De gevangenneming. 1 Toen Jezus dit gesproken had, ging hij uit met zijne jongeren over de beek Kedron, alwaar een hof was, in welken hij ging met zijne jongeren.

24 Vader, ik wil dat zn die (jrii mn

gegeven hebt bii mij zijn, waar ik

ook ben; opdat zij mijn heerlijkheid aanschouwen, welke Gij mij gegeven hebt, omdat Gij mij lief-

hadt vóór de grondlegging aer wereld.

25 Rechtvaardige Vader, de wereld heeft U niet gekend, maar ik heb U gekend, en dezen hebben erkend dat Gij mij gezonden hebt.

26 Ik heb hun uw naam bekendgemaakt en zal het blijven doen; opdat de liefde waarmee Gij mij hebt liefgehad in hen zij en ik in hen.

Gevangenname van Jezus. 1 Toen Jezus dit gezegd had, ging hij met zijn leerlingen de stad uit, naar den overkant van het dal der Ceders, waar een tuin was. Hij ging dien met zijn leerlingen binnen.

Sluiten