Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

19 De hoogepriester dan vraagde Jezus van Zijne discipelen, en van Zijne leer.

20 Jezus antwoordde hem: Ik heb vrijuit gesproken tot de wereld; Ik heb allen tijd geleerd in de synagoge en in den tempel, waar de Joden van alle plaatsen samenkomen; en in het verborgen heb Ik niets gesproken.

Joh. 7 : 26.

21 Wat ondervraagt gij Mij ? Ondervraag degenen, die het gehoord hebben, wat Ik tot hen gesproken heb; zie, deze weten, wat Ik gezegd heb.

22 En als Hij dit zeide, gaf een van de dienaren, die daarbij stond, Jezus eenen kinnebakslag, zeggende: Antwoordt Gij alzoo den hoogepriester ?

Jer. 20 : 2. Hand. 23 : 2.

23 Jezus antwoordde hem: Indien Ik kwalijk gesproken heb, betuig van het kwade; en indien wel, waarom slaat gij Mij ?

24 (Annas dan had Hem gebonden gezonden tot Kajafas, den hoogepriester.)

Matt. 26 : 57. Mark. 14 : 53. Luk. 22 : 54.

25 En Simon Petrus stond en warmde zich. Zij zeiden dan tot hem: Zijt ook gij niet uit Zijne discipelen ? Hij loochende het, en zeide: Ik ben niet.

Matt. 26 : 71. Mark. 14 : 69. Luk. 22 : 58-

26 Een van de dienstknechten des hoogepriesters, die maagschap was van dengene, dien Petrus het oor afgehouwen had, zeide: Heb ik u niet gezien in den hof met Hem ?

27 Petrus dan loochende het wederom. En terstond kraaide de haan.

Joh. 13 : 38.

Jezus voor Pilatus.

28 Zij dan leidden Jezus van Kajafas in het rechthuis. En het was 's morgens vroeg; en zij gingen niet in het rechthuis, opdat zij niet verontreinigd zouden worden, maar opdat zij het pascha eten mochten. Matt. 27 : 1. Mark. 15 : 1.

Luk. 22 : 66. 23 : 1. Hand. 10 : 28. 11 : 3.

29 Pilatus dan ging tot hen uit, en zeide: Wat beschuldiging brengt gij tegen dezen Mensch ?

30 Zij antwoordden en zeiden tot hem: Indien Deze geen kwaaddoener ware, zoo zouden wij Hem u niet overgeleverd hebben.

31 Pilatus dan zeide tot hen: Neemt gij Hem, en oordeelt Hem naar uwe wet. De Joden dan zeiden tot hem: Het is ons niet geoorloofd iemand te dooden.

32 Opdat het woord van Jezus vervuld wierd, dat Hij gezegd had, beteekenende, hoedanigen dood Hij sterven zoude.

Matt. 20 : 19. Joh. 12 : 32.

33 Pilatus dan ging: wederom in het rechthuis, en riep Jezus, en zeide tot Hem: Zijt Gij de Koning der Joden?

Matt. 27 : 11. Mark. 15 : 2. Luk. 23 : 3.

34 Jezus antwoordde hem: Zegt gij dit van uzelven, of hebben het u anderen van Mij gezegd?

35 Pilatus antwoordde: Ben ik een Jood? Uw volk en de overpriesters hebben u aan mij overgegeleverd; wat hebt Gij gedaan?

19 En de Hoogepriester vraagde Jezus naar zijne jongeren en naar zijne leer.

20 Jezus antwoordde hem: Ik heb vrij in het openbaar gesproken voor de wereld; ik heb altijd geleerd in de synagoge en in den tempel, waar alle Joden te zamen komen, en heb niets in het verborgen gesproken.

21 Wat vraagt gij mij daarnaar? Vraag diegenen daarnaar, die gehoord hebben wat ik tot hen gesproken heb; zie, dezen weten wat ik gezegd heb.

22 En toen hij dit zeide, gaf een van de dienaren, die daarbij stonden, Jezus een kinnebakslag, zeggende: Zult gij den Hoogepriester alzoo antwoorden?

23 Jezus antwoordde hem: Heb ik kwalijk gesproken, zoo bewijs, dat het kwaad is; heb ik recht gesproken, waarom slaat gij mij ?

24 Annas nu zond hem gebonden tot den Hoogepriester Kajafas.

19 De hoogepriester nu ondervroeg Jezus over zijn leerlingen en zijn leer.

20 Jezus antwoordde hem: Ik heb ronduit tot de wereld gesproken; ik heb altijd in de synagogen en in den tempel, waar alle Joden samenkomen, geleerd; in het verborgen heb ik niets gezegd.

21 Wat ondervraagt gij mij? Vraag het aan hen die gehoord hebben wat ik tot hen gesproken heb. Zie, zij weten wat ik heb gezegd.

22 Toen hij dit zeide, gaf een der dienaren, die er bij stond, Jezus een slag in het gezicht en zeide: Antwoordt gij zoo den hoogepriester ?

23 Jezus antwoordde hem: Heb ik iets verkeerds gezegd, zeg dan waarin dat verkeerde bestaat; heb ik goed gesproken, waarom slaat gij mij dan?

24 Toen zond Annas hem geboeid naar den hoogepriester Kajafas.

25 En Simon Petrus stond en warmde zich. Toen zeiden zij tot hem: Zijt gij niet ook een van zijne jongeren? Maar hij loochende het, en zeide: Ik ben het niet.

26 Een van des Hoogepriesters knechten, een bloedverwant desgenen, wien Petrus het oor afgehouwen had, zeide: Zag ik u niet in den hof bij hem?

27 Toen loochende Petrus het wederom; en terstond kraaide de haan.

Matth. 26 : 57. Mare. 14 : 53. Luc. 22 : 54.

Voor Pilatus.

28 Nu leidden zij Jezus van Kajafas naar het rechthuis; en het was vroeg. En zij gingen niet in het rechthuis, opdat zij niet verontreinigd zouden worden, maar het pascha eten mochten.

25 Simon Petrus dan stond zich te warmen. Daar zeiden zij tot hem: Gij zijt toch niet een van zijn leerlingen? Hij loochende het en zeide: Neen.

26 Nu zeide een der slaven van den hoogepriester, een bloedverwant van den man wiens oor Petrus afgehouwen had: Heb ik u niet in den tuin bij hem gezien?

27 Wederom loochende Petrus het, en aanstonds kraaide de haan.

Jezus voor Pilatus. 28 Zij brachten dan Jezus van Kajafas naar het rechthuis; het was nog vroeg; en zij gingen het rechthuis niet binnen om zich niet te verontreinigen maar het Pascha te mogen eten.

29 Toen ging Pilatus tot hen uit, en zeide: Welke beschuldiging brengt gij tegen dezen mensch in ?

30 Zij antwoordden en zeiden tot hem: Ware deze geen kwaaddoener, wij zouden hem u niet overgeleverd hebben.

31 Toen zeide Pilatus tot hen: Neemt gij hem dan en oordeelt hem naar uwe wet. Toen zeiden de Joden tot hem: Wij mogen niemand dooden;

32 — opdat vervuld werd het woord van Jezus, dat hij gezegd had, toen hij te kennen gaf welk een dood hij sterven zou. —

Joh. 12 : 32. Matth. 20 : 19.

33 Toen ging Pilatus weder binnen in het rechthuis, en riep Jezus, en zeide tot hem: Zijt gij de koning der Joden?

34 Jezus antwoordde: Zegt gij dit van uzelven, of hebben anderen het u van mij gezegd?

35 Pilatus antwoordde: Ben ik een Jood ? Uw volk en de Hoogepriesters hebben u aan mij overgeleverd: wat hebt gij gedaan?

29 Daarom kwam Pilatus naar buiten tot hen en zeide: Waarvan beschuldigt gij dezen mensch?

30 Zij antwoordden hem: Indien hij geen boosdoener was, zouden wij hem niet aan u overleveren.

31 Pilatus zeide tot hen: Neemt gij hem dan en vonnist hem naar uw wet. De Joden zeiden tot hem: Het is ons niet geoorloofd iemand ter dood te brengen.

32 Zoo moest het woord van Jezus vervuld worden, toen hg aanduidde welken dood hg zou sterven.

33 Pilatus ging weer in het rechthuis, riep Jezus tot zich en zeide: Zijt gij de koning der Joden?

34 Jezus antwoordde: Zegt gij dit uit uzelf of is het u door anderen van mij gezegd?

35 Pilatus antwoordde: Ik ben toch geen Jood! Uw volk en de overpriesters hebben u aan mij overgeleverd. Wat hebt gij gedaan?

Sluiten