is toegevoegd aan uw favorieten.

Het Nieuwe Testament in zes Nederlandse vertalingen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

40 Zij dan namen het lichaam van Jezus en wikkelden het in doeken, met de specerijen, gelijk het bij de Joden gebruikelijk is bij een begrafenis.

41 En er was ter plaatse, waar Jezus gekruisigd was, een hof, en in dien hof een nieuw graf, waarin nog nooit iemand was bijgezet.

42 Omdat het nu de voorbereiding der Joden was en het graf in de nabijheid lag, zetten zij Jezus aldaar bij.

Jezus' opstanding en verschijningen te Jeruzalem. De twee discipelen bij het graf.

1 En vroeg in den morgen, op den eersten dag der week, toen het nog duister was, kwam Maria Magdalena naar het graf; en zij zag den steen van het graf weggenomen.

2 Zij liep snel tot Simon Petrus en tot den anderen discipel, dien Jezus liefhad, en zij zeide tot hen: Zij hebben den Heer uit het graf weggenomen, en wij weten niet waar zij hem gelegd hebben.

3 Toen gingen Petrus en de andere discipel heen, en begaven zich naar het graf.

4 Beiden begonnen tegelijk te loopen. Maar de andere discipel snelde vooruit, vlugger dan Petrus, en kwam het eerst bij het graf;

5 en zich vooroverbukkend, zag hij de doeken liggen, maar hij ging niet naar binnen.

6 Toen kwam ook Simon Petrus achter hem aan en ging naar binnen in het graf; en hij zag de windselen liggen,

7 en den doek die over zijn hoofd gelegen had, niet bij de windselen neergelegd, maar afzonderlijk opgerold op een andere plaats.

8 Daarop ging ook de andere discipel, die het eerst bij het graf gekomen was, naar binnen; en hij zag en geloofde.

9 — Want zij hadden de Schrift nog niet verstaan, dat hij uit de dooden moest verrijzen. —

10 Toen gingen de discipelen wederom huiswaarts.

Jezus' verschijning aan Maria Magdalena.

11 Doch Maria stond buiten bij het graf en weende. Terwijl zij dan zoo weende, bukte zij zich voorover in het graf;

12 en zij zag twee engelen zitten, in wit gewaad, een aan het hoofdeinde en een aan het voeteneinde, ter plaatse waar het lichaam van Jezus gelegen had.

13 En zij zeiden tot haar: Vrouw, wat weent gij? Zij zeide tot hen: Omdat zij mijnen Heer hebben weggenomen, en ik weet niet, waar zij hem gelegd hebben.

14 Toen zij dit gezegd had, wendde zij zich achterwaarts, en zij zag Jezus staan; maar zij wist niet, dat het Jezus was.

40 Ze namen het lichaam van Jesus, en wikkelden het in lijnwaad, tezamen met de geurige kruiden, zoals het onder de Joden bij begrafenis de gewoonte is.

41 Nu lag er op de plaats, waar Hij was gekruisigd, een hof, en in de hof een nieuw graf, waarin nog niemand was bijgezet.

42 Daar het de vooravond van het paasfeest der Joden was, en het graf dichtbij, legden ze Jesus daarin neer.

Matt. 27 : 57—61. Mark. 15 : 42—47.

Luk. 23 : 50—56.

Het ledige graf en de engelen. 1 Op de eerste dag der week kwam Maria Magdalena 's morgens vroeg, terwijl het nog donker was, naar het graf, en zag de steen van het graf afgerold.

2 Zij snelde daarom vlug naar Simon Petrus heen, en naar den anderen leerling, dien Jesus liefhad, en zei hun: Men heeft den Heer uit het graf genomen, en we weten niet, waar men Hem heeft neergelegd.

3 Toen gingen Petrus en de andere leerling op weg, en begaven zich naar het graf.

4 Ze waren samen op weg gegaan; maar de andere leerling liep sneller dan Petrus, en kwam het eerst bij het graf.

5 Hij bukte zich voorover, en zag het lijnwaad liggen; maar hij ging er niet binnen.

6 Nu kwam ook Simon Petrus achter hem aan, ging het graf binnen, en zag het lijnwaad liggen,

7 met de zweetdoek, die zijn hoofd had bedekt; deze lag niet bij het lijnwaad, maar afzonderlijk opgerold op een andere plaats.

8 Nu ging ook de andere leerling binnen, die het eerst bij het graf was gekomen. En nu hij het zag, geloofde hij ook;

9 want ze kenden de Schrift nog niet, dat Hij uit de doden moest opstaan.

10 Toen gingen de leerlingen weer naar huis.

11 Maar Maria bleef buiten bij het graf staan wenen. Onder het wenen bukte zij zich voorover naar het graf,

12 en zag er twee engelen zitten in witte gewaden; de een aan het hoofdeind, de ander aan het voeteneind van de plaats, waar Jesus' lichaam gelegen had.

13 Ze zeiden tot haar: Vrouw, waarom weent ge? Zij zei hun: Omdat men mijn Heer heeft weggenomen, en ik niet weet, waar men Hem heeft neergelegd.

Matt. 28 : 1—8. Mark. 16 : 1—8.

Luk. 24 : 1—12.

Verschijning aan Maria Magdalena

14 Toen zij dit had gezegd, keerde zij zich om, en zag Jesus staan; maar zij wist niet, dat het Jesus was.

40 Zij namen dan het lichaam van Jezus en wikkelden het in linnen windsels met de specerijen, zoals het bij de Joden gebruikelijk is te begraven.

41 En er was ter plaatse, waar Hij gekruisigd was, een hof en in dien hof een nieuw graf, waarin nog nooit iemand was bijgezet;

42 daar dan legden zij Jezus neder wegens de voorbereiding der Joden, omdat het graf dichtbij was.

Matth. 27 : 57—61. Mare. 15 : 42—47.

Luc. 23 : 50—56.

De opstanding en de eerste verschijning.

1 En op den eersten dag der week ■in ging Maria Magdaléna vroeg, terwijl het nog donker was, naar het graf en zij zag den steen van het graf weggenomen.

2 IJlings kwam zij dan bij Simon Petrus en bij den anderen discipel, dien Jezus liefhad, en zeide tot hen: Zij hebben den Here weggenomen uit het graf en wij weten niet, waar zij Hem hebben neergelegd.

3 Petrus dan ging op weg en ook de andere discipel en zij begaven zich naar het graf;

4 en die twee liepen samen snel voort; en de andere discipel liep vooruit, sneller dan Petrus, en kwam het eerst aan het graf,

5 en zich voorover buigende, zag hij de linnen windsels liggen; hij ging echter niet naar binnen.

6 Simon Petrus dan kwam ook, hem volgende, en hij ging het graf binnen en zag de windsels liggen,

7 maar den zweetdoek, die op zijn hoofd geweest was, zag hij niet bij de windsels liggen, doch opgerold, terzijde op een andere plaats.

8 Toen ging ook de andere discipel, die het eerst aan het graf gekomen was, naar binnen, en hij zag het en geloofde;

9 want zij kenden de Schrift nog niet, dat Hij uit de doden moest opstaan.

10 De discipelen dan gingen weder naar huis.

11 En Maria stond buiten, dicht bij het graf, wenende. Terwijl zij dan weende, boog zij zich voorover naar het graf,

12 en zij zag twee engelen zitten, in witte klederen, een aan het hoofdeinde en een aan het voeteneinde, waar het lichaam van Jezus gelegen had.

13 En zij zeiden tot haar: Vrouw, waarom weent gij? Zij zeide tot hen: Omdat zij mijn Here weggenomen hebben en ik weet niet, waar zij Hem neergelegd hebben.

14 Na deze woorden keerde zij zich om en zag Jezus staan, maar zij wist niet, dat het Jezus was.