Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

29 Jezus zeide tot hem: Omdat gij 29 Jesus sprak tot hem: Gelooft 29 Jezus zeide tot hem: Omdat

mij gezien hebt, zijt gij tot geloof ge, omdat ge Mij hebt gezien? gij Mij gezien hebt, hebt gij ge-

gekomen; zalig zij die niet hebben Zalig zij, die niet zien, en toch loofd? Zalig zij, die niet gezien

gezien, maar hebben geloofd. geloven. hebben en toch geloven.

Eerste slot van het boek.

30 Nog wel vele andere teekenen heeft Jezus voor de oogen zijner discipelen gedaan, welke in dit boek niet beschreven zijn.

31 Doch deze zijn beschreven, opdat gij moogt komen tot het geloof, dat Jezus is de Christus, de zoon Gods, en opdat gij door dat geloof leven moogt hebben in zijnen naam.

Jezus' verschijning aan de zee van Tiberias. De wonderbare vischvangst.

1 Daarna openbaarde Jezus zich nogmaals aan de discipelen, bij de zee van Tiberias. Hij openbaarde zich aldus.

2 Er waren bijeen Simon Petrus en Thomas, genaamd Didymus, en Natanaël van Kana in Galilea, en de zonen van Zebedéüs en twee anderen van zijne discipelen.

30 Nog veel andere wonderen heeft Jesus in tegenwoordigheid van de leerlingen verricht, die in dit boek niet zijn beschreven.

31 Maar deze zijn opgetekend, opdat ge geloven moogt, dat Jesus de Christus is, de Zoon van God; en opdat gij, door te geloven, het leven moogt hebben in zijn naam.

Mark. 16 : 14—18. Luk. '24 : 36—49.

Jesus verschijnt in Galilea.

1 Daarna verscheen Jesus nogmaals aan de leerlingen bij het meer van Tibérias. Hij verscheen op de volgende wijze:

2 Eens waren Simon Petrus, Tomas, ook Didymus geheten, Natanaël uit Kana van Galilea, de zonen van Zebedeüs, en twee anderen van zijn leerlingen bijeen.

Eerste slot.

30 Jezus heeft nog wel vele andere tekenen voor de ogen zijner discipelen gedaan, die niet beschreven zijn in dit boek,

31 maar deze zijn geschreven, opdat gij gelooft, dat Jezus is de Christus, de Zoon van God, en opdat gij, gelovende, het leven hebt in zijn naam.

De verschijning aan de zee van Tiberias.

1 Hierna openbaarde Jezus zich y\ opnieuw aan de discipelen bij de zee van Tiberias en Hij openbaarde zich aldus.

2 Daar waren bijeen Simon Petrus, Thomas, genaamd Didymus, Nathanaël van Kana in Galiléa, de zonen van Zebedeüs en nog twee van zijn discipelen.

3 Simon Petrus zeide tot hen: Ik ga visschen. Zij zeiden tot hem: Wij gaan ook met u mede. En zij vertrokken en gingen aan boord; maar in dien nacht vingen zii niets.

4 Toen nu de morgenstond eindelijk aanbrak, stond Jezus aan het strand; de discipelen wisten echter niet, dat het Jezus was.

5 Toen zeide Jezus tot hen: Vrienden, hebt gij soms eenige toespijs? Zij antwoordden hem: Neen.

6 En hij zeide tot hen: Werpt uw net uit ter rechterzijde van het schip, dan zal het u gelukken. Zij dan wierpen het uit, en konden het niet meer trekken vanwege de menigte der visschen.

7 Toen zeide die discipel dien Jezus liefhad, tot Petrus: Het is de Heer! Toen Simon Petrus hoorde, dat het de Heer was, deed hij zich opperkleed en gordel aan — want hij was ongekleed —, en wierp zich in de zee.

8 De andere discipelen kwamen met het scheepje ■— want zij waren niet ver van het land verwijderd, niet meer dan tweehonderd ellen —, en sleepten het net met de visschen.

9 Toen zij nu aan land gekomen waren, zagen zij een kolenvuur liggen en visch daarop, en brood.

10 Jezus zeide tot hen: Brengt van de visschen, die gij nu gevangen hebt.

11 Simon Petrus ging aan boord en trok het net op het land, vol groote visschen: honderd drie en vijftig (en hoewel er zoovele waden, scheurde het net niet).

12 Jezus zeide tot hen: Komt hierheen en gebruikt den morgenmaaltijd. En niemand der discipelen waagde het, hem te ondervragen: Wie zijt gij? Want zij wisten, dat het de Heer was.

13 Jezus trad naderbij en nam het

3 Simon Petrus zeide tot hen: Ik ga vissen. Ze zeiden hem: Dan gaan wij met u mee. Ze trokken er dan op uit, en gingen de boot in; maar die nacht vingen ze niets.

4 Toen reeds de morgen was aangebroken, stond Jesus aan het strand; maar de leerlingen wisten niet, dat het Jesus was.

5 Jesus sprak tot hen: Jonge mannen, hebt gij wat vis ? Ze antwoordden Hem: Neen.

6 Hij zei hun: Werpt het net uit rechts van de boot, dan zult gij slagen. Ze wierpen het net uit; maar door het groot aantal vissen konden ze het niet meer ophalen.

7 Nu sprak de leerling, dien Jesus liefhad, tot Petrus: Het is de Heer! Toen Simon Petrus hoorde, dat het de Heer was, deed hij, daar hij ontkleed was, zijn mantel om, en wierp zich in het meer.

8 Daar men zich niet ver van de kust bevond, slechts ongeveer tweehonderd el, kwamen de andere leerlingen met de boot, en sleepten het net met de vissen achter zich aan.

9 Toen ze geland waren, zagen ze een kolenvuur liggen, en vis en brood er bovenop.

10 Jesus zeide hun: Haalt van de vissen, die gij nu gevangen hebt.

11 Simon Petrus ging aan boord, en sleepte het net aan wal; het was vol grote vissen, honderd drie en vijftig in getal; en ondanks dit aantal was het net niet gescheurd.

12 Jesus zei hun: Komt ontbijten. Niemand van de leerlingen durfde Hem vragen: Wie zijt Gij ? Want ze wisten, dat het de Heer was.

13 Jesus kwam nader, nam het

3 Simon Petrus zeide tot hen: Ik ga vissen. Zij zeiden tot hem: Wij gaan met u mede. Zii vertrokken

en gingen scheep, en in dien nacht vingen zij niets.

4 Toen het reeds morgen werd, stond Jezus aan den oever; de discipelen wisten echter niet, dat het Jezus was.

5 Jezus zeide tot hen: Kinderen, hebt gij ook enige toespijs? Zij antwoordden Hem: Neen.

6 Hij nu zeide tot hen: Werpt uw net uit aan de rechterzijde van het schip en gij zult vinden. Zij wierpen het (net) uit en konden het niet meer trekken vanwege de menigte der vissen.

7 Die discipel dan dien Jezus liefhad, zeide tot Petrus: Het is de Here. Simon Petrus dan, toen hij hoorde, dat het de Here was, sloeg zijn opperkleed om, want hij was ongekleed, en wierp zich in zee;

8 maar de andere discipelen kwamen met het schip, want zij waren niet ver van het land, slechts ongeveer tweehonderd el, en zij sleepten het net met de vissen.

0 Toen zij dan aan land gekomen waren, zagen zij een kolenvuur liggen en vis daarop en brood.

10 Jezus zeide tot hen: Brengt van de vissen, die gij thans gevangen hebt.

11 Simon Petrus ging aan boord en sleepte het net aan land, vol grote vissen, honderddrieenvijftig; en hoewel er zovele waren, scheurde het net niet.

12 Jezus zeide tot hen: Komt en houdt den maaltijd. Niemand van de discipelen durfde Hem de vraag stellen: Wie zijt Gij? Want zij wisten, dat het de Here was.

13 Jezus kwam en Hij nam het

Sluiten