Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

24 En toen die dat hoorden, hieven zij gezamenlijk hun stem op tot God en spraken: O Heer, gij zijt het, die den hemel en de aarde gemaakt hebt en de zee en al wat daarin is,

25 en die bij monde van onzen vader David, uwen knecht, door den heiligen Geest gesproken hebt: Waarom woedden de heidenen en bedachten de volkeren ijdele dingen?

26 de koningen der aarde zijn opgetreden en de vorsten zijn te hoop geloopen tegen den Heer en tegen zijn gezalfde.

27 Want in waarheid hebben in deze stad tegen uwen heiligen knecht Jezus, dien gij gezalfd hebt, zoowel Herodes als Pontius Pilatus zich vereenigd met de heidenen en de stammen Israëls,

28 om uit te voeren wat uwe hand en uw raad van tevoren bepaald had, dat geschieden zou.

29 Nu dan, Heer, let op hunne dreigingen, en geef aan uwe dienstknechten, met alle vrijmoedigheid uw woord te spreken,

30 doordat gij uwe hand uitstrekt ter genezing, en doordat er teekenen en wonderen geschieden door den naam van uwen heiligen knecht Jezus.

31 En toen zij gebeden hadden, beefde de plaats waar zij vergaderd waren; en zij werden allen vervuld met den heiligen Geest en spraken het woord Gods met vrijmoedigheid.

24 Toen ze dit hoorden, verhieven ze eenparig hun stem tot God, en zeiden: Gij Heer, Schepper van hemel en aarde en zee, en van al wat erin is:

25 Gij zijt het, die in den Heiligen Geest door de mond van onzen vader David, uw dienaar, gezegd hebt: „Waarom razen de volken, Bluffen de naties,

26 Komen de koningen der aarde bijeen, Spannen de vorsten samen tegen den Heer en zijn Christus?"

Ps. 2 :1—2.

27 Waarachtig, ze hebben in deze stad samengespannen tegen Jesus, uw heiligen Dienaar, dien Gij gezalfd hebt: Herodes en Pontius Pilatus met de heidenen en de stammen van Israël:

28 om te voltrekken, wat uw hand en uw raadsbesluit vooruit had beschikt.

29 Nu dan Heer, houd hun bedreiging in het oog, en verleen aan uw dienaars, om met alle vrijmoedigheid uw woord te spreken:

30 door uw hand uit te strekken tot genezing, tot tekenen en wonderen, door de naam van Jesus, uw heiligen Dienaar.

31 Nu hun gebed trilde de plaats, waar ze waren vergaderd; allen werden vervuld van den Heiligen Geest, en spraken vrijmoedig Gods woord.

24 En toen dezen het hoorden, verhieven zij eenparig hun stem tot God en zeiden: Gij, Here, zijt het, die geschapen hebt den hemel, de aarde, de zee en al wat daarin is;

25 die door den heiligen Geest bij monde van onzen vader David, uw knecht, gezegd hebt: Waarom hebben de heidenen gewoed en de volken ijdelen raad bedacht?

26 De koningen der aarde hebben zich opgesteld en de oversten zijn te zamen vergaderd tegen den Here en tegen zijn Gezalfde.

Ps. 2 : l, 2.

27 Want inderdaad zijn in deze stad vergaderd tegen uw heiligen knecht Jezus, dien Gij gezalfd hebt, Herodes zowel als Pontius Pilatus met de heidenen en de volken van Israël,

28 om te doen al wat uw hand en uw raad te voren bepaald had, dat geschieden zou.

29 En nu, Here, let op hun dreigingen en geef uw dienstknechten met alle vrijmoedigheid uw woord te spreken,

30 doordat Gij uw hand uitstrekt tot genezing, en dat tekenen en wonderen geschieden door den naam van uw heiligen knecht Jezus.

'31 En terwijl zij baden, werd de plaats, waar zij vergaderd waren, bewogen; en zij werden allen vervuld met den Heiligen Geest en spraken het woord Gods met vrijmoedigheid.

Het gemeenteleven. Goederengemeenschap. 32 De gemeente nu van hen die tot geloof gekomen waren, was één van hart en één van ziel; en zelfs niet een zeide, dat iets van hetgeen hij bezat, zijn eigendom was; maar alles hadden zij gemeen.

33 En met groote kracht gaven de apostelen getuigenis van de opstanding des Heeren Jezus; en zij allen stonden in groote gunst. Want er was onder hen geen behoeftige.

34 Want zij die landerijen of huizen bezaten, verkochten die en brachten de opbrengst van het verkochte en legden die neer aan de voeten der apostelen;

35 en dan werd aan ieder uitgedeeld naarmate hij van noode had.

Gemeenschap van goederen. 32 De groep van gelovigen was één van hart en ziel; er was er niet één, die iets van het zijne zijn eigendom noemde, maar ze hadden alles gemeen.

33 Met grote kracht legden de apostelen getuigenis af van de verrijzenis van Jesus, den Heer, en aan allen werd grote genade geschonken.

34 Er was inderdaad geen enkele noodlijdende onder hen. Want allen, die landerijen of huizen bezaten, verkochten ze, brachten de opbrengst mee,

35 en legden die voor de voeten der apostelen neer; dan werd er uitgedeeld naar ieders behoefte.

Het leven der gemeente.

32 En de menigte van hen, die tot het geloof gekomen waren, was één van hart en ziel, en ook niet één zeide, dat iets van hetgeen hij bezat zijn persoonlijk eigendom was, doch zij hadden alles gemeenschappelijk.

33 En met grote kracht gaven de apostelen hun getuigenis van de opstanding des Heren Jezus, en er was grote genade over hen allen.

34 Want er was ook niet één behoeftig onder hen; want allen, die eigenaars waren van stukken grond of van huizen, verkochten die en brachten, de opbrengst van den verkoop en legden die aan de voeten der apostelen;

35 en aan een ieder werd uitgedeeld naar behoefte.

36 Jozef nu, die van de apostelen den bijnaam Barnabas ontvangen had (hetgeen beteekent zoon der vertroosting), een Leviet, van Cyprus geboortig,

37 verkocht een stuk land dat hem behoorde, en bracht het geld en legde dat neder aan de voeten der apostelen.

36 Zo was er een zekere Josef, door de apostelen Barnabas (dat is: zoon van vertroosting) geheten, een leviet, van Cyprus afkomstig;

37 hij bezat een stuk land, verkocht het, bracht het geld mee, en legde het voor de voeten der apostelen neer.

36 En Jozef, die van de apostelen den bijnaam Barnabas gekregen had — wat betekent: zoon der vertroosting •—, een Leviet, uit Cyprus afkomstig,

37 die eigenaar was van een akker, verkocht dien en bracht het geld en legde het aan de voeten der apostelen.

Sluiten