is toegevoegd aan uw favorieten.

Het Nieuwe Testament in zes Nederlandse vertalingen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De apostelen uit den kerker verlost.

17 En de hoogepriester stond op, en allen, die met hem waren (welke was de sekte der Sadduceën), en werden vervuld met nijdigheid;

18 En sloegen hunne handen aan de apostelen, en zetten hen in de gemeene gevangenis.

19 Maar de engel des Heeren opende des nachts de deuren der gevangenis, en leidde hen uit, en

tpïHP *

Hand. 12 : 7. 16 : 26.

20 Gaat heen, en staat, en spreekt in den tempel tot het volk al de woorden dezes levens.

Wederom gevangen genomen, wonderbaar bevrijd.

17 En de Hoogepriester stond op, en allen die met hem waren, — zijnde de sekte der Sadduceën ■— en werden vol ijver,

18 en sloegen de handen aan de apostelen, en zetten hen in de openbare gevangenis.

19 Maar een Engel des Heeren opende in den nacht de deuren der gevangenis en leidde hen daaruit, en zeide:

20 Gaat heen, en vertoont u, en spreekt in den tempel tot het volk al de woorden dezes levens.

17 De hoogepriester nu en al zijn medestanders — dat is de partij der Sadduceën — werden van ijverzucht vervuld,

18 sloegen de handen aan de apostelen en zetten hen in de stadsgevangenis.

19 Maar een engel des Heeren opende des nachts de deuren der gevangenis, voerde hen er uit en zeide:

20 Gaat heen, treedt op in den tempel en verkondigt daar aan het volk al deze levenswoorden.

21 Als zij nu dit gehoord hadden, gingen zij tegen den morgenstond in den tempel en leerden. Maar de hoogepriester, en die met hem waren, gekomen zijnde, riepen den raad te zamen, en al de oudsten der kinderen Israëls, en zonden naar den kerker, om hen te halen.

22 Doch als de dienaars daar kwamen, vonden zij hen in de gevangenis niet, maar keerden wederom, en boodschapten dit,

23 Zeggende: Wij vonden wel den kerker met alle verzekerdheid toegesloten, en de wachters buiten staande voor de deuren; maar als wij die geopend hadden, vonden wij niemand daarbinnen.

Gamaliël's raad.

24 Toen nu de hoogepriester en de hoofdman des tempels, en de overpriesters deze woorden hoorden, werden zij twijfelmoedig over hen, wat toch dit worden zou.

25 En er kwam een, en boodschapte hun, zeggende; Ziet, de mannen, die gij in de gevangenis gezet hebt, staan in den tempel, en leeren het volk.

21 Toen zij nu dit gehoord hadden, gingen zij vroeg in den tempel en leerden. De Hoogepriester nu kwam en die met hem waren, en zij riepen den Raad en alle Oudsten der kinderen Israëls te zamen, en zonden naar de gevangenis om hen te halen.

22 Doch toen de dienaars kwamen, vonden zij hen niet in de gevangenis, en keerden weder en boodschapten het, en zeiden:

23 De gevangenis vonden wij met alle zorg toegesloten, en de wachters daarbuiten staande voor de deuren; maar toen wij haar open deden, vonden wij niemand daarbinnen.

Wederom voor den Raad. Gamaliël.

24 Toen nu de Hoogepriester en de hoofdman des tempels en de andere Hoogepriesters deze woorden hoorden, werden zij verbijsterd wegens hen, wat dit toch worden zou.

25 Toen kwam er een, die berichtte hun: Zie, de mannen, die gij in de gevangenis gezet hebt, staan in den tempel en leeren het volk.

21a Hieraan gehoor gevend, gingen zij tegen den morgenstond naar den tempel en leerden. 21b Intusschen riepen de hoogepriester en zijn medestanders den Grooten Raad en al de oudsten der Israëlieten samen en zonden dienaren naar de gevangenis om hen te halen.

22 Maar toen dezen hen daar niet vonden, keerden zij terug en berichtten:

23 Wij hebben de gevangenis stevig gesloten gevonden, en de wachters stonden bij de deur, maar toen wij die openden, vonden wij daarbinnen niemand.

24 Toen de tempelhoofdman en de overpriesters dit hoorden, waren zij er verlegen mee en vroegen: Wat zal er nu gebeuren? —•

25 Daar kwam iemand hun meedeelen: Zie, de mannen die gij in de gevangenis hebt geworpen staan in den tempel het volk te leeren.

26 Toen ging de hoofdman heen, met de dienaren, en bracht hen, doch niet met geweld (want zij vreesden het volk, opdat zij niet gesteenigd wierden).

Matt. 21 : 26. Hand. 4 : 21.

27 En als zij hen gebracht hadden, stelden zij hen voor den raad; en de hoogepriester vraagde hun, en zeide:

28 Hebben wij u niet ernstelijk aangezegd, dat gij in dezen Naam niet zoudt leeren? En ziet, gij hebt met deze uwe leer Jeruzalem vervuld, en gij wilt het bloed van dezen Mensch over ons brengen.

Hand. 4 : 18.

29' Maar Petrus en de apostelen antwoordden en zeiden: Men moet Gode meer gehoorzaam zijn, dan den menschen.

Hand. 4 : 19.

30 De God onzer vaderen heeft Jezus opgewekt, Welken gij omgebracht hebt, hangende Hem aan het hout.

Hand. 3 : 15. Deut. 21 : 23. Hand. 10 : 39. 13 : 29. 1 Petr. 2 : 24.

26 Toen ging de hoofdman heen met de dienaren, en haalde hen, doch niet met geweld, want zij vreesden het volk, opdat zij niet gesteenigd werden.

27 En toen zij hen brachten, stelden zij hen voor den Raad; en de Hoogepriester vraagde hun en zeide:

28 Hebben wij u niet ernstig geboden, dat gij in dezen naam niet zoudt leeren ? En zie, gij hebt Jeruzalem vervuld met uwe leer, en wilt het bloed van dezen mensch over ons brengen.

29 Maar Petrus en de apostelen antwoordden en zeiden: Men moet Gode meer gehoorzaam zijn dan den menschen.

Hand. 4 : 19.

30 De God onzer vaderen heeft Jezus opgewekt, dien gij gedood hebt, en gehangen aan het hout;

26 Toen ging de tempelhoofdman met de dienaren hen halen; maar niet met geweld, want zij vreesden door het volk gesteenigd te worden.

27 Zij haalden hen dan en plaatsten hen voor den Raad. En de hoogepriester ondervroeg hen:

28 Wij hebben u streng verboden onderricht te geven met beroep op dien naam, en daar hebt gij nu Jeruzalem vervuld van uw leer; gij wilt over ons het bloed van dien mensch brengen!

29 Maar Petrus en de apostelen antwoordden: Men moet God meer gehoorzamen dan menschen.

30 De God onzer vaderen heeft Jezus, dien gij omgebracht hebt door hem aan een kruishout te hangen, opgewekt;