is toegevoegd aan uw favorieten.

Het Nieuwe Testament in zes Nederlandse vertalingen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

3 Ziet dan om, broeders, naar zeven mannen uit uw midden, die goed bekend staan en vol van Geest en wijsheid zijn, opdat wij hen voor deze taak kunnen aanstellen.

4 Wij daarentegen zullen ons aan gebed en bediening des Woords blijven wijden.

5 Dit woord vond bijval bij de geheele gemeente; en zij kozen Stéfanus, een man vol van geloof en heiligen Geest, Filippus en Próchorus, Nikanor, Timon, Parmenas en Nikolaüs, een proseliet uit Antiochië.

6 Hen stelden zij aan de apostelen voor; en dezen legden, na gebed, hun de handen op.

7 En het woord Gods verbreidde zich steeds verder, en het getal der discipelen te Jeruzalem nam sterk toe; ook een groote schare van priesters werd het geloof gehoorzaam.

Het optreden van Stéfanus.

8 En Stéfanus, vol van genade en kracht, deed groote wonderen en teekenen onder het volk.

9 Maar sommigen uit de synagoge, die bekend stond als die der Libertijnen, Cyreneërs en Alexandrijnen, en van de bezoekers uit Cilicië en Asië, traden op, om met Stéfanus te redetwisten.

10 Maar zij waren niet in staat om de wijsheid en den Geest te wederstaan, waarmede hij sprak.

Stéfanus de eerste martelaar. Stéfanus aangeklaagd. 11 Toen stookten zij lieden op, om te verklaren: Wij hebben hem lasterlijke woorden hooren spreken tegen Mozes en tegen God.

12 Zoo bewerkten zij een beweging onder het volk en de oudsten en de schriftgeleerden; en zij overvielen hem, sleurden hem mede en brachten hem voor den raad.

13 En zij lieten valsche getuigen optreden, die verklaarden: Deze mensch houdt niet op, woorden te spreken tegen de heilige plaats en tegen de wet;

14 want wij hebben hem hooren zeggen: Jezus, die Nazoreër, zal deze plaats verwoesten en de gebruiken veranderen, welke Mozes ons heeft overgeleverd.

15 En toen al de leden van den raad hun blik op hem gevestigd hielden, zagen zij zijn gelaat als het gelaat van een engel.

1 De hoogepriester echter zeide: Is dit zoo? En hij sprak:

Rede van Stéfanus.

2 Gij broeders en vaders, hoort toe. De God der heerlijkheid verscheen aan onzen vader Abraham, toen hij in Mesopotamië was, voordat hij zich vestigde in Haran.

3 En Hij zeide tot hem: Verlaat

3 Kiest dus, broeders, uit uw midden zeven mannen van goede naam, vol van den Geest en van wijsheid. Hen zullen we aanstellen voor deze taak,

4 terwijl wij zelf zullen voortgaan met het gebed en de dienst van het woord.

5 Het voorstel vond bijval bij heel de menigte. Men koos Stéfanus uit, een man vol van geloof en van den Heiligen Geest; ook Filippus, Próchorus, Nikanor, Timon, Parmenas, en Nikolaüs, een proseliet uit Antiochië.

6 Men stelde ze aan de apostelen voor; deze baden, en legden hun de handen op.

7 En het woord Gods breidde zich uit, en het aantal leerlingen te Jerusalem vermeerderde sterk; ook een groot aantal priesters trad toe tot het geloof.

Stéfanus voor de Hoge Raad.

8 Intussen deed Stéfanus, vol genade en kracht, grote wonderen en tekenen onder het volk.

9 Daarom begonnen er sommigen uit de synagoge, welke die der Vrijgelatenen, Cyreneërs en Alexandrijnen wordt genoemd, en sommigen uit Cilicië en Azië, met Stéfanus te twisten;

10 maar ze waren niet bestand tegen de wijsheid en den geest, waarmee hij sprak.

11 Toen stookten ze enige lieden op, om te verklaren: We hebben hem lastertaal horen spreken tegen Moses en tegen God.

12 Ze hitsten ook het volk en de oudsten met de schriftgeleerden tegen hem op, overvielen hem, sleepten hem mee, en brachten hem voor de Hoge Raad.

13 Daar lieten ze valse getuigen komen, die zeiden: Deze man spreekt onophoudelijk tegen de heilige plaats en tegen de Wet;

14 want we hebben hem horen zeggen, dat die Jesus van Nazaret deze plaats zal verwoesten, en de instellingen wijzigen, die Moses ons heeft overgeleverd.

15 Allen, die in de Raad zaten, staarden hem aan, en aanschouwden zijn gelaat als dat van een engel.

De zelfverdediging van Stéfanus.

1 De hogepriester vroeg, of het waar was.

2 Toen nam hij het woord: Mannen, broeders en vaders, luistert. De God van Majesteit verscheen aan onzen vader Abraham, toen hij nog in Mesopotamië woonde, en eer hij zich in Charan vestigde.

3 En Hij sprak tot hem: Verlaat

3 Ziet dan uit, broeders, naar zeven mannen onder u, die goed bekend staan, vol van Geest en wijsheid, opdat wij hen voor deze taak aanstellen;

4 maar wij zullen ons houden aan het gebed en de bediening van het woord.

5 En dit voorstel vond bijval bij de gehele menigte en zij kozen Stéphanus, een man vol van geloof en heiligen Geest, Philippus, Próchorus, Nicanor, Timon, Parmenas en Nicolaüs, een Jodengenoot uit Antiochië;

6 dezen stelden zij voor de apostelen, die, na gebeden te hebben, hun de handen oplegden.

7 En het woord Gods wies en het getal der discipelen te Jeruzalem nam zeer toe en een talrijke schare van de priesters gaf gehoor aan het geloof.

8 En Stéphanus, vol van genade en kracht, deed wonderen en grote tekenen onder het volk.

9 Doch er stonden sommigen op van hen, die waren van de zogenaamde synagoge der Libertijnen, der Cyreneeërs en der Alexandrijnen en van de Joden uit Cilicië en Asia en redetwistten met Stéphanus,

10 en zij waren niet bij machte de wijsheid en den Geest, waardoor hij sprak, te weerstaan.

11 Toen schoven zij mannen naar voren, die zeiden: Wij hebben hem lasterlijke woorden tegen Mozes en God horen spreken.

12 En zij brachten zowel het volk als de oudsten en de schriftgeleerden in opschudding; en op hem aandringende, sleepten zij hem mede en leidden hem voor den Raad,

13 en voerden valse getuigen aan, die zeiden: Deze mens spreekt onophoudelijk lasterlijke woorden tegen [deze] heilige plaats en de wet,

14 want wij hebben hem horen zeggen, dat deze Jezus, de Nazoreeër, deze plaats zal afbreken en de zeden veranderen, die Mozes ons heeft overgeleverd.

15 En allen, die in den Raad zitting hadden, zagen toen zij hem aanstaarden, zijn gelaat als het gelaat van een engel.

Stéphanus' verdediging.

1 En de hogepriester zeide: Is dat -t zo? '

2 En hij zeide: Gij, mannen broeders en vaders, hoort toe. De God der heerlijkheid is verschenen aan onzen vader Abraham, toen hij nog in Mesopotamië was, voordat hij in Haran ging wonen,

3 en Hij zeide tot hem: Verlaat