Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

eene gansch bittere gal en samenknooping der ongerechtigheid.

24 Doch Simon, antwoordende, zeide: Bidt gijlieden voor mij tot den Heere, opdat niets over mij kome van hetgeen gij gezegd hebt.

Num. 21 : 7.

25 Zij dan nu, als zij het Woord des Heeren betuigd en gesproken hadden, keerden wederom naar Jeruzalem, en verkondigden het Evangelie in vele vlekken der Samaritanen.

Filippus en de kamerling.

26 En een engel des Heeren sprak tot Filippus, zeggende: Sta op, en ga heen tegen het zuiden, op den weg, die van Jeruzalem afdaalt naar Gaza, welke woest is.

27 En hij stond op en ging heen; en ziet, een Moorman, een kamerling, en een machtig heer van Candacé, de koningin der Mooren, die over al haren schat was, welke was gekomen om aan te bidden te Jeruzalem;

Joh. 12 : 20.

28 En hij keerde wederom, en zat op zijnen wagen, en las den profeet Jesdja.

29 En de Geest zeide tot Filippus: Ga toe, en voeg u bij dezen wagen.

30 En Filippus liep toe, en hoorde hem den profeet Jesdja lezen, en zeide: Verstaat gij ook, hetgeen gij leest?

31 En hij zeide: Hoe zou ik toch kunnen, zoo mij niet iemand onderricht ? En hij bad Filippus, dat hij zou opkomen, en bij hem zitten.

32 En de plaats der Schriftuur, die hij las, was deze: Hij is gelijk een schaap ter slachting geleid; en gelijk een lam stemmeloos is voor dien, die het scheert, alzoo doet Hij Zijnen mond niet open.

Jes. 53 : 7.

33 In Zijne vernedering is Zijn oordeel weggenomen; en wie zal Zijn geslacht verhalen? Want Zijn leven wordt van de aarde weggenomen.

34 En de kamerling antwoordde Filippus en zeide: Ik bid u, van Wien zegt de profeet dit? van zichzelven, of van iemand anders?

35 En Filippus deed zijnen mond open, en beginnende van diezelfde Schrift, verkondigde hem Jezus.

Luk. 24 : 45.

36 En alzoo zij over weg reisden, kwamen zii aan een zeker water;

en de kamerling zeide: Ziedaar water; wat verhindert mij gedoopt te worden?

Hand. 10 : 47.

37 En Filippus zeide: Indien gij van ganscher harte gelooft, zoo is het geoorloofd. En hij, antwoordende, zeide: Ik geloof, dat Jezus Christus de Zoon van God is.

38 En hij gebood den wagen stil te houden; en zij daalden beiden af in het water, zoo Filippus als de kamerling, en hij doopte hem.

39 En toen zij uit het water waren opgekomen, nam de Geest des Heeren Filippus weg, en de ka-

bittere gal en een samenweersei van ongerechtigheid.

24 Toen antwoordde Simon en zeide: Bidt gijlieden den Heer voor mij, opdat mij niets overkome van hetgeen gijlieden gesproken hebt.

25 En zij, toen zij het woord des Heeren betuigd en gesproken hadden, keerden weder naar Jeruzalem, en predikten het evangelie in vele vlekken der Samaritanen.

Filippus en de Kamerling.

26 En een Engel des Heeren sprak tot Filippus, zeggende: Sta op en ga zuidwaarts den weg op, die van Jeruzalem afgaat naar Gaza, welke woest is.

27 En hij stond op en ging heen. En zie, een man uit Moorenland (Ethiopië), een kamerling en staatsdienaar van Kandacé, koningin der Mooren, die over al hare schatkamers was, die naar Jeruzalem was gekomen om te aanbidden,

28 deze keerde weder naar huis, en zat op zijnen wagen, en las den profeet Jesaja.

29 En de Geest zeide tot Filippus: Treed toe, en voeg u bij dezen wagen.

30 Toen liep Filippus toe, en hoorde, dat hij den profeet Jesaja las, en zeide: Verstaat gij ook hetgeen gij leest?

31 En hij zeide: Hoe zou ik dat kunnen, zoo mij niet iemand onderricht? En hij noodigde Filippus uit, dat hij optreden en bij hem zitten zou.

32 En de plaats der Schrift, die hij las, was deze: „Hij is gelijk een schaap ter slachting geleid; en gelijk een lam stil is voor zijnen scheerder, alzoo heeft hij zijnen mond niet opengedaan.

Jes. 53 : 7, 8.

33 In zijne vernedering is zijn oordeel weggenomen, en wie zal de lengte zijns levens uitspreken? Want zijn leven is van de aarde weggenomen".

34 Toen antwoordde de kamerling Filippus en zeide: Ik bid u, van wien zegt de profeet dit, van zichzelven of van iemand anders?

35 En Filippus deed zijnen mond open, en begon van deze Schrift, en predikte hem het evangelie van Jezus.

36 En toen zij op den weg voortreisden, kwamen zij aan een water, en de kamerling zeide: Zie, daar is water: wat verhindert mij gedoopt te worden?

37 En Filippus zeide: Gelooft gij van ganscher harte, zoo mag het wel geschieden. Hij antwoordde en zeide: Ik geloof, dat Jezus Christus Gods Zoon is.

38 En hij gebood den wagen stil te houden; en zij klommen af in het water, beiden Filippus en de kamerling, en hij doopte hem.

39 En toen zij opklommen uit het water, rukte de Geest des Heeren Filippus weg, en de kamerling

bittere gal is en gij verstrikt zijt in ongerechtigheid.

24 Nu antwoordde Simon: Bidt gij voor mij tot den Heer; opdat niets van hetgeen gij hebt gezegd mij treffe. —

25 Toen zij hun getuigenis afgelegd en het woord des Heeren verkondigd hadden, keerden zij naar Jeruzalem terug en brachten nog de Blijde boodschap aan vele dorpen der Samaritanen.

Filippus en de Ethiopiër.

26 Een engel des Heeren zeide tot Filippus: Maak u op en ga zuidwaarts den weg op van Jeruzalem naar Gaza; die is eenzaam.

27 Hij maakte zich op en ging op reis. En zie, een Ethiopiër, een invloedrijke kamerling van Kandacé, de koningin der Ethiopiërs, haar opperschatmeester, die naar Jeruzalem was getrokken om er te aanbidden,

28 was op de terugreis en las, op zijn wagen gezeten, in den profeet Jezaja.

29 En de Geest zeide tot Filippus: Ga dicht bij dien wagen loopen.

30 En toen Filippus er bij kwam, hoorde hij hem in den profeet Je¬

zaja lezen en zeiae: verstaat gij wel wat gij leest?

31 Hij zeide: Hoe zou ik dat kunnen wanneer niemand mij den weg wijst? en noodigde Filippus uit bij hem op den wagen te gaan zitten.

32 De afdeeling der Schrift die hij las was deze: Als een schaap is hij ter slachting geleid, en als een lam, stom voor zijn scheerders, zoo doet hij den mond niet open.

33 Toen hij vernederd werd, werd het vonnis over hem vernietigd; zijn nakroost, wie zal het tellen? Want zijn leven wordt van de aarde opgeheven.

34 Nu vroeg de kamerling Filippus: Ik bid u, van wien zegt de profeet dit? Van zichzelf of van een ander?

35 Toen opende Filippus den mond en bracht hem, van dat Schriftwoord uitgaande, de blijmare over Jezus.

36 En toen zij de reis vervolgden, kwamen zij aan een water en zeide de kamerling: Daar is water: wat belet mij gedoopt te worden ?

38 Hij liet den wagen stilhouden; beiden, Filippus en de kamerling, daalden in het water af, en hij doopte hem.

39 Toen zij uit het water opstegen, voerde de Geest des Heeren Filippus weg; de kamerling zag

Sluiten