is toegevoegd aan uw favorieten.

Het Nieuwe Testament in zes Nederlandse vertalingen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

2 En hij doodde Jakobus, den broeder van Johannes, met het zwaard.

Matt. 4 : 21.

Petrus gevangen en verlost.

3 En toen hij zag, dat het den Joden behagelijk was, voer hij voort, om ook Petrus te vangen (en het waren de dagen der ongehevelde brooden);

4 Denwelken ook gegrepen hebbende, hij in de gevangenis zette, en gaf hem over aan vier wachten, elk van vier krijgsknechten, om hem te bewaren, willende na het paaschfeest hem voorbrengen voor het volk.

Joh. 21 : 18.

5 Petrus dan werd in de gevangenis bewaard; maar van de Gemeente werd een gedurig gebed tot God voor hem gedaan.

6 Toen hem nu Heródes zou voorbrengen, sliep Petrus dienzelfden nacht tusschen twee krijgsknechten, gebonden met twee ketenen; eni de wachters voor de deur bewaarden de gevangenis.

7 En ziet, een engel des Heeren stond daar, en een licht scheen in de woning, en slaande de zijde van Petrus, wekte hij hem op, zeggende: Sta haastelijk op. En zijne ketenen vielen af van de handen.

Hand. 5 : 19. 16 : 26.

8 En de engel zeide tot hem: Omgord u, en bind uwe schoenzolen aan. En hij deed alzoo. En hij zeide tot hem: Werp uwen mantel om, en volg mij.

0 En uitgaande volgde hij hem, en wist niet, dat het waarachtig was, hetgeen door den engel geschiedde, maar hij meende, dat hij een gezicht zag.

10 En als zij door de eerste en tweede wacht gegaan waren, kwamen zij aan de ijzeren poort, die naar de stad leidt; dewelke van zelve hun geopend werd. En uitgegaan zijnde, gingen zij eene straat voort; en terstond scheidde de engel van hem.

Hand. 16 : 26.

11 En Petrus, tot zichzelven gekomen zijnde, zeide: Nu weet ik waarachtiglijk, dat de Heere Zijnen engel uitgezonden heeft, en mij verlost heeft uit de hand van Heródes, en uit al de verwachting van het volk der Joden.

Dan. 6 : 23.

12 En als hij alles overlegd had, ging hij naar het huis van Maria, de Moeder van Johannes, die toegenaamd was Markus, alwaar velen samenvergaderd en biddende waren.

Hand. 4 : 23.

13 En als Petrus aan de deur van de voorpoort klopte, kwam eene dienstmaagd voor om te luisteren, met name Rhodé.

14 En zij, de stem van Petrus bekennende, deed van blijdschap de voorpoort niet open, maar liep naar binnen en boodschapte, dat Petrus voor aan de voorpoort stond.

15 En zij zeiden tot haar: Gij raast. Doch zij bleef er sterk bij, dat het alzoo was. En zij zeiden: Het is zijn engel.

2 En hij doodde Jakobus, den broeder van Johannes, met het zwaard.

3 En toen hij zag, dat het den Joden behaagde, voer hij voort ook Petrus gevangen te nemen. En het waren juist de dagen der ongezuurde brooden.

4 Toen hij hem nu gegrepen had, zette hij hem in de gevangenis, en leverde hem over aan vier wachten, elk van vier krijgsknechten, om hem te bewaken; en hij dacht hem na Paschen voor te brengen voor het volk.

5 Petrus dan werd in de gevangenis gehouden; maar de gemeente bad zonder ophouden voor hem tot God.

6 En toen Herodes hem wilde voorbrengen, sliep Petrus in dien nacht tusschen twee krijgsknechten, gebonden met twee ketenen; en wachters voor de deur bewaakten de gevangenis.

7 En zie, een Engel des Heeren kwam daar, en een licht scheen in het verblijf; en hij sloeg Petrus aan de zijde en wekte hem op, zeggende: Sta schielijk op! En de ketenen vielen hem van de handen.

Hand. 5 : 19.

8 En de Engel zeide tot hem: Gord u en trek uwe schoenen aan. En hij deed alzoo. En hij zeide tot hem: Werp uwen mantel om, en volg mij.

9 En hij ging uit en volgde hem, en wist niet, dat hem dit waarlijk geschiedde door den Engel, maar hij meende, dat hij een gezicht zag.

10 En zij gingen door de eerste en tweede wacht, en kwamen aan de ijzeren deur, die naar de stad leidt; die deed zich vanzelf voor hen open; en zij traden uit, en gingen ééne straat voort, en terstond scheidde de Engel van hem.

11 En toen Petrus tot zichzelven kwam, zeide hij: Nu weet ik waarlijk, dat de Heer zijnen Engel gezonden, en mij verlost heeft uit de hand van Herodes, en van alle verwachting des Joodschen volks.

12 En dit erkennende, kwam hij vóór het huis van Maria, de moeder van Johannes, die bijgenaamd is Markus, waar velen bij elkander waren en baden.

13 En toen Petrus aan de deur van de poort klopte, kwam eene dienstmaagd voor om te luisteren, met name Rhode.

14 Toen zij de stem van Petrus herkende, deed zij van blijdschap de poort niet open, maar liep naar binnen en verkondigde het hun, dat Petrus voor de poort stond.

15 Doch zij zeiden tot haar: Gij zijt uitzinnig. Maar zij bleef er bij, dat het zoo was. Zij zeiden: Het is zijn Engel.

2 en liet hij Jacobus, den broeder van Johannes, onthoofden.

3 Toen hij zag dat dit den Joden geviel, ging hij op dien weg voort en nam ook Petrus in hechtenis; het was in de dagen der ongezuurde brooden.

4 Hij liet hem dan grijpen en in de gevangenis werpen, waar hij hem in bewaring gaf aan vier viertallen soldaten, met het plan hem na Paschen voor het gericht van het volk te brengen.

5 Zoo werd dan Petrus in de gevangenis bewaakt, en door de gemeente werden voortdurend gebeden tot God voor hem opgezonden.

6 Toen nu Herodes hem zou voorbrengen, sliep Petrus dien nacht tusschen twee soldaten, met twee ketenen geboeid, terwijl de wacht vóór de deur de gevangenis bewaakte.

7 En zie, daar stond een engel des Heeren bij hem, en een licht schitterde in het verblijf. Hij stiet Petrus in de zijde, zoodat hij wakker werd, en zeide: Sta spoedig op. En de ketenen vielen van zijn handen.

8 De engel zeide tot hem: Doe uw gordel om en uw schoeisel aan. Hij deed het. Nu zeide hij hem: Sla uw mantel om en volg mij.

9 Hij ging achter den engel naar buiten en wist niet dat hetgeen door den engel gebeurde werkelijkheid was, maar meende een gezicht te zien.

10 Zij gingen langs den eersten wachtpost en langs den tweeden en kwamen aan de ijzeren deur die naar de stad voerde; die ging vanzelf voor hen open; zij traden naar buiten, gingen éen straat ver — daar was de engel plotseling van hem weggegaan.

11 Thans kwam Petrus tot bezinning en zeide: Nu weet ik inderdaad dat de Heer zijn engel heeft gezonden en mij heeft gered uit de hand van Herodes en uit al wat het volk der Joden verwachtte dat zou geschieden.

12 Toen hij dus den toestand overzag, ging hij naar het huis van Maria, de moeder van Johannes bijgenaamd Marcus, waar velen biddend vergaderd waren.

13 Toen hij aan de poort klopte, ging een slavin, Rhode genaamd, naar voren om te hooren wie daar was;

14 maar toen zij de stem van Petrus herkende, opende zij van vreugde de deur niet, maar liep naar binnen en meldde dat Petrus voor de deur stond.

15 Zij zeiden tot haar: Gij raaskalt. Maar zij hield vol dat het zoo was. Nu zeiden zij: Het is zijn engel.