is toegevoegd aan uw favorieten.

Het Nieuwe Testament in zes Nederlandse vertalingen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

willen dan weten, wat toch dit zijn wil.

21 (Die van Athéne nu allen, en de vreemdelingen, die zich daar onthielden, besteedden hunnen tijd tot niets anders, dan om wat nieuws te zeggen en te hooren).

wij gaarne weten wat dat is.

21 Alle Atheners nu, gelijk ook de vreemdelingen die zich daar ophielden, besteedden hun tijd tot niets anders, dan om wat nieuws te zeggen of te hooren.

willen wel eens weten, wat dat beteekent. —

21 Alle Atheners nu en de vreemdelingen die zich daar ophouden hebben voor niets anders tijd dan om nieuwtjes te zeggen of te hooren.

22 En Paulus, staande in het midden van de plaats, genaamd Areópagus, zeide: Gij mannen van Athéne! ik bemerke, dat gij alleszins gelijk als godsdienstiger zijt.

23 Want de stad doorgaande, en aanschouwende uwe heiligdommen, heb ik ook een altaar gevonden, op hetwelk een opschrift stond: den onbekenden God. Dezen dan, Dien gij niet kennende dient, verkondig ik ulieden.

24 De God, Die de wereld gemaakt heeft en alles wat daarin is; Deze, zijnde een Heere des hemels en der aarde, woont niet in tempelen met handen gemaakt;

Gen. 1 : 1. 2 Kron. 6 : 30. Ps. 33 : 6. 124 : 8. 146 : 6. Jes. 66 : 1. Hand. 14 : 15.

Openb. 14 : 7. Hand. 7 : 48.

25 En wordt ook van menschenhanden niet gediend, als iets behoevende, alzoo Hij Zelf allen het leven, en den adem, en alle dingen geeft;

Gen. 2:7.

26 En heeft uit éénen bloede het gansche geslacht der menschen gemaakt, om op den geheelen aardbodem te wonen, bescheiden hebbende de tijden te voren geordineerd, en de bepalingen van hunne woning;

Deut. 32 : 8.

27 Opdat zij den Heere zouden zoeken, of zij Hem immers tasten en vinden mochten; hoewel Hij niet verre is van een iegelijk van ons.

28 Want in Hem leven wij, en bewegen ons, en zijn wij; gelijk ook eenigen van uwe poëten gezegd hebben: Want wij zijn ook Zijn geslacht.

29 Wij dan, zijnde Gods geslacht, moeten niet meenen, dat de Godheid goud, of zilver, of steen gelijk zij, welke door menschenkunst en bedenking gesneden zijn.

Jes. 40 : 18.

30 God dan, de tijden der onwetendheid overgezien hebbende, verkondigt nu allen menschen alom, dat zij zich bekeeren.

Luk. 24 : 47.

31 Daarom dat Hij eenen dag gesteld heeft, op welken Hij den aardbodem rechtvaardiglijk zal oordeelen, door eenen Man, Dien Hij daartoe geordineerd heeft, verzekering daarvan doende aan allen, dewijl Hij Hem uit de dooden opgewekt heeft.

Hand. 10 : 42.

32 Als zij nu van de opstanding der dooden hoorden, spotten sommigen daarmede; en sommigen zeiden: Wij zullen u wederom hiervan hooren.

33 En alzoo is Paulus uit het midden van hen weegegaan.

34 Doch sommige mannen hingen hem aan, en geloofden; onder welke was ook Dionysius, de Areopagiet, en eene vrouw, met name Damaris, en anderen met dezelve.

22 En Paulus stond in het midden van den Areópagus en zeide: Gij mannen van Athene, ik zie, dat gij in allen deele bijzonder godsdienstig zijt.

23 Want ik ben hier doorgegaan, en heb uwe heiligdommen gezien, en vond een altaar waarop geschreven was: Aan den onbekenden God. Nu verkondig ik u dezen, dien gij vereert zonder hem te kennen.

24 De God, die de wereld gemaakt heeft en alwat er in is, nademaal hij een Heer is des hemels en der aarde, woont niet in tempels met handen gemaakt;

Hand. 7 : 48.14 : 15.

25 hij wordt ook niet door menschenhanden gediend, alsof hij iemand behoefde, alzoo hijzelf iedereen het leven en den adem en alles geeft.

26 En hij heeft gemaakt, dat uit éénen bloede de geslachten aller

menschen op den geneeien aaiubodem wonen, en heeft den duur der tijden en de grenzen hunner woonplaats bepaald,

Deut. 32 : 8.

27 opdat zij den Heer zouden zoeken, of zij hem toch tasten en vinden mochten. En trouwens, Hij is niet ver van een ieder onder ons.

28 Want in Hem leven wij, en bewegen wij ons, en zijn wij; gelijk ook eenigen uwer dichters gezegd hebben: Wij zijn zelfs van zijn geslacht.

29 Zoo wij dan Gods geslacht zijn, moeten wij niet denken, dat de Godheid gelijk zij aan gouden, zilveren of steenen beelden, door eens menschen kunst en vinding gemaakt.

Jes. 46 : 5, 6.

30 God dan heeft den tijd der onwetendheid voorbijgezien, en gebiedt nu allen menschen allerwege boete te doen;

31 daarom dat Hij een dag gesteld heeft, op welken Hij den aardbodem oordeelen zal in gerechtigheid, door een man, dien Hij daartoe bestemd heeft, zekerheid daarvan gevende aan allen, doordien Hij hem uit de dooden heeft opgewekt.

32 Toen zij nu hoorden van de opstanding der dooden, hadden sommigen hunnen spot daarmede, en anderen zeiden: Wij zullen u daarover wederom hooren.

33 Alzoo ging Paulus van hen.

34 Maar sommige mannen hingen hem aan en werden geloovig, onder welke was Dionysius, de Areopagiet, en eene vrouw, genaamd Damaris, en anderen met hen.

22 Toen sprak Paulus, midden op den Areópagus staande: Atheners, ik zie dat gij in elk opzicht bijzonder godsdienstig zijt.

23 Want toen ik uw stad doorging en uw heiligdommen beschouwde, zag ik ook een altaar met het opschrift: Aan een onbekenden god. Welnu, hetgeen gij zonder het te kennen vereert, dat verkondig ik u.

24 De God die de wereld en alwat daarin is heeft gemaakt, die dus de heer is van hemel en aarde, woont niet in met handen gemaakte tempels

25 en wordt niet door menschenhanden gediend alsof Hij aan iets behoefte had, daar Hijzelf aan allen het leven, den adem en alles geeft.

26 Ook heeft Hij uit éen stamvader alle volken der menschheid gemaakt om hen over de geheele oppervlakte der aarde te doen wonen, na de wisseling der jaargetijden en de grenzen hunner woonplaatsen vooruit vastgesteld te hebben;

27 opdat zij God zouden zoeken, of zij Hem wellicht tasten en vinden mochten, hoewel Hij niet ver is van ieder onzer.

28 Want in Hem leven wij, bewegen wij ons en zijn wij; zooals ook sommige uwer dichters gezegd hebben: Want wij zijn zelfs zijn geslacht.

29 Zijn wij dus Gods geslacht, dan moeten wij niet denken dat het goddelijke gelijk is aan goud, zilver of steen, een werk van menschelijke kunst en overleg.

30 God nu heeft o^er de tijden der onwetendheid heengezien, maar beveelt nu de menschen zich allen overal te bekeeren;

31 daar Hij een dag heeft bepaald waarop Hij de wereld naar recht zal oordeelen, door middel van een daarvoor aangewezen man. Hiervan heeft Hij allen zekerheid gegeven door hem uit de dooden op te wekken.

32 Bij het hooren van doodenopstanding spotten dezen en zeiden genen: Daarover willen wij later meer van u hooren.

33 Zoo ging Paulus van hen weg.

34 Maar eenige mannen sloten zich bij hem aan en werden geloovig; onder anderen Dionysius de Areopagiet en een vrouw Damaris genaamd.