is toegevoegd aan uw favorieten.

Het Nieuwe Testament in zes Nederlandse vertalingen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

5 Dezen reisden vooruit en wachtten ons te Troas op.

6 Maar wij voeren na de Paaschdagen van Filippi af en kwamen vier dagen later bij hen te Troas, alwaar wij zeven dagen doorbrachten.

7 En toen wij op den eersten dag der week vergaderd waren, om brood te breken, hield Paulus een toespraak tot hen, daar hij den volgenden morgen wilde afreizen; en hij rekte zijn rede tot middernacht.

8 Er waren nu vele lampen in de opperzaal, waar wij vergaderd waren.

9 En een jonge man, met name Eütychus, zat in het venster; en daar Paulus geruimen tijd bleef spreken, was hij in diepen slaap geraakt; en hij stortte, door den slaap overmand, van de tweede verdieping naar beneden en werd dood opgenomen.

10 Maar Paulus ging naar beneden, strekte zich over hem uit, sloeg zijn armen om hem heen en zeide: Maakt geen misbaar, want hij leeft nog.

11 En Paulus ging naar boven en brak het brood en at; en zoo vertrok hij, nadat hij geruimen tijd, tot aan den morgenschemer, met hen gesproken had.

12 Intusschen hadden zij den knaap levend weggebracht; en zij waren in hooge mate vertroost.

13 Wij waren nu reeds eerder scheep gegaan en afgevaren naar Assus, waar wij Paulus aan boord zouden nemen, want zoo had hij het beschikt, daar hij van plan was, zelf over land te gaan.

14 Toen hij ons te Assus aangetroffen had, namen wij hem aan boord en kwamen te Mityléne.

15 En vandaar weggevaren, kwamen wij den volgenden dag ter hoogte van Chios; en des anderen daags staken wij over naar Samos, en den daarop volgenden dag kwamen wij te Miléte.

16 Paulus had namelijk besloten Efeze voorbij te varen, opdat hij niet zijn tijd in Asië zou verliezen; want hij haastte zich, om, zoo het hem gelukken mocht, op den Pinksterdag te Jeruzalem te zijn.

Afscheidsrede te Miléte; overzicht van den zendingsarbeid.

17 Van Miléte uit zond hij naar Efeze en ontbood de oudsten der gemeente.

18 Toen zij bij hem aangekomen waren, zeide hij tot hen: Gij weet, hoe ik van den eersten dag af dat ik Asië betrad, al den tijd met u heb omgegaan,

19 terwijl ik den Heer diende in allen ootmoed, en onder tranen en beproevingen, die mijn deel geworden zijn door de lagen der Joden;

20 en hoe ik niets dat dienstig kon zijn, heb verzuimd, om u in het openbaar en in uwe huizen de boodschap te brengen en u te onderrichten,

5 maar zij reisden vooruit, en wachtten ons te Troas op.

6 Wijzelf scheepten ons na de dagen der ongedesemde broden te Filippi in, en kwamen in vijf dagen bij hen te Troas, waar we zeven dagen bleven.

Paulus te Troas.

7 Toen we op de eerste dag van de week bijeen waren gekomen, om brood te breken, hield Paulus, die de volgende morgen moest vertrekken, een toespraak tot hen, en rekte zijn rede tot middernacht.

8 Er brandden veel lampen in de opperzaal, waar we vergaderd waren.

9 Een jongeman, Eutychus genaamd, was in het venster gaan zitten. Toen nu Paulus zo lang bleef spreken, kreeg hij geweldige slaap; en door slaap overmand, viel hij van de derde verdieping naar beneden, en werd dood opgenomen.

10 Maar Paulus ging naar beneden, strekte zich over hem uit, sloeg zijn armen om hem heen, en zeide: Verontrust u niet; want

zijn ziei is m nem.

11 Hij ging weer naar boven, brak en at het brood, en sprak nog lange tijd tot aan de dageraad toe; toen vertrok hij.

12 Ze brachten den jongeman levend naar huis, en waren niet weinig vertroost.

rauius ze rniiete. Afscheidsrede. 13 Wijzelf gingen per schip vooruit, en stevenden naar Assus, om Paulus daar od te nemen: want

zo had hij het beschikt, omdat hij zelf over land wilde gaan.

14 Toen hii ons te Assus betrof¬

fen had, namen we hem aan boord, en vertrokken naar Mitylene.

15 Vandaar zeilden we verder, en kwamen de volgende dag op de hoogte van Chios. Daags daarna bereikten we Samos, en de dag daarop kwamen we te Milete aan.

16 Want Paulus had besloten, Éfese voorbij te varen, om geen tijd in Azië te verliezen, daar hij zich haastte, om zo mogelijk met Pinksteren te Jerusalem te zijn.

17 Maar van Milete uit zond hij iemand naar Éfese, om de priesters van de gemeente te ontbieden.

18 En toen ze waren aangekomen, sprak hij hen toe: Gij weet, hoe ik, van de eerste dag af, dat ik in Azië kwam, mij steeds onder u heb gedragen;

19 hoe ik den Heer met alle ootmoedigheid heb gediend, onder tranen en onder beproevingen, die mij overkwamen door de aanslagen der joden;

20 hoe ik niet heb nagelaten, alles wat nuttig was, u te verkondigen, en het u te onderwijzen in het openbaar en te huis;

5 Dezen waren echter vooruitgereisd en wachtten ons te Tróas op.

6 Maar wij voeren na de dagen der ongezuurde broden van Philippi af en kwamen binnen vijf dagen bij hen te Tróas aan, waar wij zeven dagen doorbrachten.

7 En toen wij op den eersten dag der week samengekomen waren om brood te breken, hield Paulus een toespraak tot hen en, daar hij van plan was den volgenden dag te vertrekken, zette hij zijn rede voort tot middernacht.

8 En er waren verscheidene lampen in de bovenzaal, waar wij vergaderd waren.

9 En een zekere jonge man, genaamd Eütychus, zat in de vensterbank, en door een diepen slaap bevangen, viel hij, toen Paulus zo lang sprak, door de slaap overmand van de derde verdieping naar beneden en werd dood opgenomen.

10 Doch Paulus kwam naar beneden, wierp zich op hem, en sloeg de armen om hem heen, en zeide: Maakt geen misbaar, want er is leven in hem.

11 En boven gekomen, brak hij brood en at, en hij sprak nog lang met hen, tot den morgenstond, en zo vertrok hij.

12 En zij brachten den jongen levend weg, en werden buitengewoon bemoedigd.

De oudsten van Eféze te Miléte.

13 Maar wij gingen vooruit aan boord en voeren naar Assus om Paulus daar od te nemen, want

zo had hij het beschikt, daar hij zelf te voet wilde gaan.

14 En toen hij zich te Assus bij ons voegde, namen wij hem aan boord en gingen naar Mityléne;

15 en, vandaar weergevaren, kwa¬

men wij den volgenden dag voor Chios en den daarop volgenden staken wij over naar Samos, en den dag daarna kwamen wij te Miléte.

16 Want Paulus had zich voorgenomen Eféze voorbij te varen, om geen tijd in Asia te verliezen, want hij haastte zich om, zo mogelijk, op den Pinksterdag te Jeruzalem te zijn.

17 Maar hij zond iemand van Miléte naar Eféze en ontbood de oudsten der gemeente;

18 en toen zij bij hem gekomen waren, zeide hij tot hen: Gij weet, hoe ik van den eersten dag aan, dat ik in Asia voet aan wal zette, al dien tijd onder u verkeerd heb,

19 dienende den Here met allen ootmoed, onder tranen en beproevingen, die mij overkwamen door de aanslagen der Joden;

20 hoe ik niets nagelaten heb van hetgeen nuttig was om u te verkondigen en te leren in het openbaar en binnenshuis,