Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

een wenk met de hand. En toen volk. En toen het doodstil was ge- hand; en toen het geheel stil geer een diepe stilte was ontstaan, worden, sprak hij hen toe in het worden was, sprak hij hen in de sprak hij hen in het Arameesch hebreeuws, en zeide: Hebreeuwse taal toe en zeide: aldus toe:

Paulus' verdedigingsrede voor de Joodsche volksmenigte.

1 Mannen, broeders en vaders, luistert naar wat ik te mijner verdediging tot u ga zeggen.

2 Toen zij nu hoorden, dat hij hen in het Arameesch toesprak, hielden zij zich nog meer stil. En hij sprak:

3 Ik ben een Jood, geboortig uit Tarsus in Cilicië, doch opgevoed in deze stad, aan de voeten van Gamaliël naar de gestrengheid onzer voorvaderlijke wet onderwezen, zoodat ik een ijveraar was voor God, gelijk gij allen het heden zijt.

Paulus' rede tot het volk.

1 Mannen, broeders en vaders, luistert naar wat ik u thans te mijner verdediging ga zeggen.

2 Toen ze hoorden, dat hij in het hebreeuws tot hen sprak, werd het nog stiller. Hij vervolgde:

3 Ik ben een jood; geboren te Tarsus in Cilicië, maar opgevoed in deze stad; aan de voeten van Gaméliël ben ik geschoold volgens de strenge uitleg der voorvaderlijke Wet, en werd ik een ijveraar voor God, zoals gij dat allen heden zijt.

1 Mannen broeders en vaders, luis- 22 tert naar hetgeen ik thans ter verdediging tot u ga zeggen.

2 Toen zij nu hoorden, dat hij hen in de Hebreeuwse taal toesprak, hielden zij zich te meer stil. En hij zeide:

3 Ik ben een Jood, te Tarsus in Cilicië geboren, doch in deze stad opgevoed, aan de voeten van Gamaliël opgeleid met nauwgezette inachtneming van de wet onzer vaderen, een ijveraar voor God evenals gij allen heden zijt.

4 Als zoodanig heb ik dien Weg 4 Daarom heb ik deze richting ten 4 En ik heb dezen weg ten dode

[des geloofs] ten doode toe ver- dode toe vervolgd, mannen en toe vervolgd door mannen en

volgd, en mannen zoowel als vrou- vrouwen in boeien geslagen en in vrouwen in boeien te slaan en

wen in boeien geslagen en in de de gevangenis geworpen, gevangen te zetten, gevangenis overgeleverd.

5 En hiervan kan zoowel de hoogepriester alsook de geheele raad der oudsten getuigen; want van hen heb ik zelfs brieven ontvangen voor de broeders te Damaskus. En ik ben daarheen gereisd, om ook degenen die daar waren, gevankelijk naar Jeruzalem te brengen, opdat zij gestraft zouden worden.

6 Doch terwijl ik daarheen reisde en Damaskus naderde, omstraalde mij plotseling, midden op den dag, van den hemel uit een sterk licht;

7 en ik viel ter aarde en hoorde een stem tot mii zeggen: Saul,

I Saul, waarom vervolgt gii mii ?

8 En ik antwoordde: Wie zijt gij,

il Heer ? En hij zeide tot mij: Ik ben ^

ucziUö, uc iNaz.uieer, uien gij ver-

volgt.

9 — Zij nu, die bij mij waren, zagen wel het licht, maar de stem van hem die tot mij sprak, hoorden zij niet. —

i) 10 En ik zeide: Wat moet ik doen, 1 Heer ? En de Heer zeide tot mij: ^Welaan, ga naar Damaskus, en

aldaar zal men tot u spreken over alles wat u tot taak is gesteld.

11 Daar ik tengevolge van dien lichtglans niet kon zien, kwam ik, door mijn reisgenooten aan de hand geieid, te Damaskus.

12 En een zekere Ananias, een godvruchtig man naar de wet, die bij al de Joden die daar woonden, goed bekend stond,

13 kwam tot mij; en op mij toetredende, zeide hij: Saul, broeder, sla uwe oogen op en zie. En ik sloeg terzelfder ure mijn oogen tot hem op en zag.

14 En hij zeide: De God onzer vaderen heeft u bestemd, om zijn wil te leeren kennen en den rechtvaardige te zien, en de stem zijns monds te hooren;

15 want gij moet voor hem bij alle menschen een getuige zijn van wat gij hebt gezien en gehoord.

5 zoals ook de hogepriester en heel de Raad kan getuigen. Zelfs kreeg ik brieven van hen mee voor de broeders in Damascus; en ik reisde daarheen, om ook hen, die zich daar bevonden, geboeid naar Jerusalem te voeren, en hen te doen straffen.

5 gelijk ook de hogepriester van mij getuigen kan en de gehele Raad der oudsten, van wie ik ook met brieven aan de broeders naar Damascus gereisd ben, om ook hen, die daar waren, geboeid naar Jeruzalem te brengen, opdat zij gestraft zouden worden.

6 Maar toen ik op mijn reis Damascus naderde, bliksemde eensklaps midden op de dag een schitterend licht uit de hemel om mij heen.

7 Ik viel op de grond, en hoorde een stem, die mij zeide: Saül, Saül, waarom vervolgt ge Mij ?

8 Ik antwoordde: Wie zijt Gij, Heer? Hij sprak tot mij: Ik ben Jesus van Nazaret, dien ge vervolgt.

9 Mijn gezellen zagen wel het ' licht, maar de stem van Hem, die met mij sprak, hoorden ze niet.

10 Toen zei ik: Heer, wat moet ik do-en? En de Heer sprak tot mij: Sta op. en ga naar Damascus; daar zal men u alles zeggen, wat u gelast wordt.

11 En daar ik niet meer kon zien door de glans van dat licht, namen mijn gezellen me bij de hand, en zó kwam ik te Damascus aan.

12 Een zekere Ananias, een vroom man naar de wet, en in aanzien bij alle joden, die daar woonden,

13 kwam naar mij toe, ging voor mij staan, en sprak: Saül, broeder, zie od. En op hetzelfde ogenblik zag ik hem.

14 Hij vervolgde: De God onzer vaderen heeft u voorbestemd, om zijn wil te leren kennen, den Gerechte te zien, en de stem uit zijn mond te vernemen.

15 Want ge zult voor Hem bij alle mensen moeten getuigen, wat ge gezien en gehoord hebt.

6 Maar het gebeurde mij, toen ik op mijn reis dicht bij Damascus gekomen was, dat plotseling omstreeks den middag uit den hemel een fel licht mij omstraalde,

7 en ik viel op den grond en hoorde een stem tot mij zeggen: Saul, Saul, waarom vervolgt gij Mij ?

8 En ik antwoordde: Wie zijt Gij, Here ? En Hij zeide tot mij: Ik ben Jezus, de Nazoreeër, dien gij vervolgt.

9 En zij, die met mij waren, zagen wél het licht, maar de stem van

Hem, die tot mij sprak, hoorden zij niet.

10 En ik zeide: Here, wat moet ik doen? En de Here zeide tot mij: Sta op en reis naar Damascus, en daar zal u gezegd worden al hetgeen u opgelegd is om te doen.

11 En daar ik vanwege den glans van dat licht niet meer kon zien, werd ik bij de hand geleid door hen, die met mij waren, en ik kwam te Damascus.

12 En een zekere Ananias, een godvruchtig man naar de wet, van wien alle Joden, die daar woonden, een goed getuigenis gaven,

13 kwam tot mij, ging bij mij staan en zeide tot mij: Saul, broeder, word weder ziende! En op hetzelfde ogenblik werd ik weder ziende en zag hem.

Hand. 9 : 1—30. 26 : 9—21.

14 En hij zeide: De God onzer vaderen heeft u voorbestemd om zijn wil te leren kennen en den rechtvaardige te zien en een stem uit zijn mond te horen;

15 want gij moet getuige voor Hem zijn bij alle mensen, van hetgeen gij gezien en gehoord hebt.

Sluiten