is toegevoegd aan uw favorieten.

Het Nieuwe Testament in zes Nederlandse vertalingen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

13 En zii wa?en meer dan veertig, die dez.en £ed te zamen gedaan hadden;

14 Tyewelke gingen tot de overpri esters en de ouderlingen, en zeiden: Wij hebben onszelven met Vervloeking vervloekt, niets te zullen nuttigen, totdat wij Paulus zullen gedood hebben.

?£ '15 Gij dan nu, laat den overste weten met den raad, dat hij hem morgen tot u afbrenge, alsof gij nadere kennis zoudt nemen van zijne zaken; en wij zijn bereid hem om te brengen, eer hij bij u komt.

13 En er waren er meer dan veertig, die dit verbond gemaakt hadden.

14 Dezen traden tot de Hoogepriesters en Oudsten, en zeiden: Wij hebben onszelve zwaar gevloekt om niets te nuttigen, totdat wij Paulus zullen gedood hebben.

15 Zoo doet nu met den Raad den overste weten, dat hij hem morgen bij u brenge, alsof gij hem beter wildet verhooren; en wij zijn gereed hem te dooden, eer hij voor u komt.

13 De eedgenooten waren meer dan veertig in getal.

14 Zij gingen dan tot de overpriesters en oudsten en zeiden: Wij hebben ons met een zware vervloeking verbonden niets te gebruiken voordat wij Paulus hebben gedood.

15 Richt gij nu, in overleg met den Grooten Raad, het verzoek tot den bevelhebber Paulus tot u te brengen; opdat gij zijn zaak nauwkeuriger moogt leeren kennen. Wij staan gereed hem uit den weg te ruimen voordat hij bij u is.

16 En als de zoon van Paulus' zuster deze lage gehoord had, kwam hij daar, en ging in de legerplaats, en boodschapte het Paulus.

17 En Paulus riep tot zich een van de hoofdmannen over honderd, en zeide: Leid dezen jongeling heen tot den overste; want hij heeft hem wat te boodschappen.

18 Deze dan nam hem en bracht hem tot den overste, en zeide: Paulus, de gevangene, heeft mij tot zich geroepen, en begeerd, dat ik dezen jongeling tot u zou brengen, die u wat heeft te zeggen.

19 De overste nu nam hem bij de hand, en bezijden gegaan zijnde, vraagde hij: Wat is het. dat gij mij hebt te boodschappen?

20 En hij zeide: De Joden zijn overeengekomen, om van u te begeeren, dat gij Paulus morgen in den raad zoudt afbrengen, alsof zij iets van hem nader zouden onderzoeken. Hand. 23 : 12.

21 Doch geloof hen niet; want meer dan veertig mannen uit hen leggen hem lagen, welke zichzelven met eene vervloeking verbonden hebben noch te eten noch te drinken, totdat zij hem zullen omgebracht hebben; en zij zijn nu gereed, verwachtende de toezegging van u.

22 De overste dan liet den jongeling gaan, hem gebiedende: Zeg niemand voort, dat gij mij zulks geopenbaard hebt.

16 Maar toen de zusterszoon van Paulus dien aanslag hoorde, kwam hij daar en ging in de legerplaats, en berichtte het aan Paulus.

17 En Paulus riep tot zich een van de hoofdlieden, en zeide: Breng dezen jongeling heen tot den overste, want hij heeft hem iets te zeggen.

18 Deze nam hem en bracht hem tot den overste, en zeide: Paulus, de gevangene, riep mij tot zich, en verzocht mij, dat ik dezen jongeling tot u zou brengen, die u iets te zeggen heeft.

19 Toen nam de overste hem bij de hand, en week terzijde, en vraagde hem: Wat is het, dat gij mij te zeggen hebt?

20 En hij zeide: De Joden zijn het eens geworden, om u te verzoeken, dat gij Paulus morgen voor den Raad zoudt brengen, alsof zij hem beter wilden verhooren.

21 Maar vertrouw hen niet; want meer dan veertig mannen van hen leggen hem lagen, die zichzelve vervloekt hebben om noch te eten noch te drinken, totdat zij Paulus zullen gedood hebben; en zij zijn nu gereed, en wachten op uwe toezegging.

Paulus overgebracht naar Cesaréa.

22 Toen liet de overste den jongeling van zich, en gebood hem, dat hij niemand zeggen zou, dat hij hem dit geopenbaard had.

16 Maar de zoon van Paulus' zuster hoorde van dien aanslag, begaf zich naar de kazerne en vertelde het, daar gekomen, aan Paulus.

17 Deze liet een der officieren bij zich komen en zeide: Breng dezen jongeling bij den bevelhebber; hij heeft hem iets te zeggen.

18 Hij nam hem mee, bracht hem bij den bevelhebber en zeide: De gevangene Paulus heeft mij bij zich laten komen en verzocht dezen jonkman bij u te brengen, omdat hij u iets te zeggen heeft.

19 De bevelhebber nam hem bij de hand, ging met hem ter zijde en vroeg: Wat hebt gij mij mee te deelen ?

20 Hij zeide: De Joden hebben afgesproken u te verzoeken Paulus morgen naar den Grooten Raad te brengen onder het voorwendsel dat deze nader kennisnemen wil van zijn zaak.

21 Maar gij moet hen niet gelooven; want meer dan veertig mannen van hen leggen hem lagen. Zij hebben zich met een vervloeking verbonden niet te eten of te drinken voordat zij hem uit den weg geruimd hebben, en houden zich nu gereed, wachtend op uw inwilliging.

22 De bevelhebber liet hierop den jongeling gaan met het verbod aan iemand te verklappen dat hij hem dit verteld had.

Paulus naar Cesaréa overgebracht.

23 En zekere twee van de hoofdmannen over honderd tot zich geroepen hebbende, zeide hij: Maakt twee honderd krijgsknechten gereed, opdat zij naar Cesaréa trekken en zeventig ruiters, en twee honderd schutters, tegen de derde ure des nachts;

24 En laat ze zadelbeesten bestellen, opdat zij Paulus daarop zetten, en behouden overbrengen tot den stadhouder Felix.

25 En hij schreef eenen brief, hebbende dezen inhoud:

23 En hij riep twee hoofdlieden tot zich, en zeide: Houdt tweehonderd krijgsknechten en zeventig ruiters en tweehonderd schutters in gereedheid, om naar Cesaréa te trekken, tegen de derde ure des nachts;

24 en zorgt voor lastdieren om Paulus daarop te zetten, en hem behouden over te brengen tot den landvoogd Felix.

25 En hij schreef een brief van dezen inhoud:

23 Toen ontbood hij twee zijner officieren en zeide: Maakt tegen het derde uur van den nacht tweehonderd soldaten gereed voor een marsch naar Cesarea, ook zeventig ruiters en tweehonderd lichtgewapenden,

24 en zorgt voor lastdieren om daarop Paulus veilig naar den stadhouder Felix te brengen.

25 Hij schreef een brief van dezen inhoud:

26 Claudius Lysias aan den machtigsten stadhouder Felix groetenis.

26 Claudius Lysias aan den machtigsten landvoogd Felix, heil!

26 Claudius Lysias groet den Hoogedelen stadhouder Felix.