Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

27 Alzoo deze man van de Joden gegrepen was, en van hen omgebracht zou geworden zijn, ben ik daarover gekomen met het krijgsvolk, en heb hem hun ontnomen, bericht zijnde, dat hij een Romein is.

Hand. 21 : 33.

28 En willende de zaak weten, waarover zij hem beschuldigden, bracht ik hem af in hunnen raad;

29 Welken ik bevond beschuldigd te worden over vragen hunner wet; maar geene beschuldiging tegen hem te zijn, die den dood of banden waardig is.

30 En als mij te kennen gegeven was, dat van de Joden eene lage tegen dezen man gelegd zou worden, zoo heb ik hem terstond aan u gezonden; gebiedende ook den beschuldigers voor u te zeggen, hetgeen zij tegen hem hadden. Vaarwel.

31 De krijgsknechten dan, gelijk hun bevolen was, namen Paulus, en brachten hem des nachts tot Antipatris.

32 En des anderen daags, latende de ruiters met hem trekken, keerden zij wederom naar de legerplaats.

33 Dewelke als zij te Cesaréa gekomen waren, en den brief den stadhouder overgeleverd hadden, hebben zij ook Paulus voor hem gesteld.

34 En de stadhouder, den brief gelezen hebbende, vraagde, uit wat provincie hij was; en verstaande, dat hij van Cilicië was,

35 Zeide hij: Ik zal u hooren, als ook uwe beschuldigers hier zullen gekomen zijn. En hij beval, dat hij in het rechthuis van Heródes zou bewaard worden.

27 Dezen man hadden de Joden gegrepen, en wilden hem dooden; toen kwam ik met het krijgsvolk daarbij, en ontrukte hem aan hen, vernemende dat hij een Romein is.

28 En toen ik de zaak wilde weten, waarover zij hem beschuldigden, leidde ik hem vóór hunnen Raad.

29 Toen bevond ik, dat hij beschuldigd werd over vragen hunner wet, maar dat hij zich aan niets had schuldig gemaakt hetwelk dood of banden waardig was.

30 En toen het mij ter oore kwam, dat eenige Joden hem lagen legden, zond ik hem terstond tot u, en ontbood de aanklagers ook, opdat zij voor u zouden zeggen wat zij tegen hem hadden. Vaarwel!

31 De krijgsknechten dan namen Paulus, gelijk hun bevolen was, en brachten hem in den nacht naar Antipatris,

32 en des anderen daags lieten zij de ruiters met hem trekken, en keerden weder naar de legerplaats.

33 Toen dezen te Cesaréa kwamen, gaven zij den brief aan den landvoogd over, en stelden Paulus ook vóór hem.

34 En toen de landvoogd den brief gelezen had, vraagde hij uit wat land hij was; en toen hij vernam, dat hij uit Cilicië was,

35 zeide hij: Ik zal u verhooren, als ook uwe aanklagers hier gekomen zijn. En hij beval hem te bewaren in het rechthuis van Herodes.

27 Toen deze man door de Joden was gegrepen en op het punt was door hen omgebracht te worden, ben ik met mijn manschappen toegeschoten en heb hem ontzet, omdat ik hoorde dat hij" een Romein was.

28 Daar ik wilde weten waarvan zij hem beschuldigden, heb ik hem naar hun Raad gebracht.

29 Ik bevond toen dat de beschuldiging liep over vraagstukken van hun wet, terwijl niets tegen hem werd ingebracht waarop doodstraf of gevangenis staat.

30 Nu mij is aangebracht dat een samenspanning tegen dezen man bestaat, heb ik hem aanstonds aan u gezonden, terwijl ik zijn aanklagers gelast heb u over hem te gaan spreken.

31 De soldaten namen, volgens het hun gegeven bevel, Paulus mee, brachten hem des nachts naar Antipatris

32 en lieten den volgenden dag de ruiters met hem verder trekken, terwijl zij naar de kazerne terugkeerden.

33 De ruiters gaven bij hun aankomst te Cesarea den brief aan den stadhouder en stelden Paulus in zijn handen.

34 Hij las den brief, vroeg uit welke provincie hij was, en toen hij hoorde dat hij uit Cilicië was,

35 zeide hij: Ik zal u in verhoor nemen wanneer ook uw beschuldigers zijn aangekomen. Daarop gaf hij bevel hem in het rechthuis van Herodes gevangen te zetten.

Paulus

voor den stadhouder Felix.

94 1 En vijf dagen daarna kwam de hoogepriester Ananias af met de ouderlingen, en eenen zekeren voorspraak, genaamd Tertullus, dewelke verschenen voor den stadhouder tegen Paulus.

Hand. 23 : 2.

2 En als hij geroepen was, begon Tertullus hem te beschuldigen, zeggende:

Paulus voor Felix. 1 Na vijf dagen trok de Hoogepriester Ananias af met de Oudsten en een zekeren redenaar Tertullus, die verschenen vóór den landvoogd tegen Paulus.

2 En toen hij geroepen was, begon Tertullus hem aan te klagen, zeggende:

Paulus voor Felix. „Ga voor ditmaal heen."

1 Vijf dagen later kwam de hoogepriester Ananias, met eenige oudsten en zekeren advokaat Tertullus, te Cesarea; zij brachten bij den landvoogd hun klacht in tegen Paulus.

2 Toen deze ontboden was, begon Tertullus hem aldus te beschuldigen:

3 Dat wij grooten vrede door u bekomen, en dat vele loffelijke diensten dezen volke geschieden door uwe voorzichtigheid, machtigste Felix! nemen wij ganschelijk en overal met alle dankbaarheid aan.

4 Maar opdat ik u niet lang ophoude, ik bid u, dat gij ons, naar uwe bescheidenheid, kortelijk hoort.

5 Want wij hebben dezen man bevonden te zijn eene pest, en eenen, die oproer verwekt onder al de Joden, door de gansche wereld, en eenen oppersten voorstander van de sekte der Nazarénen.

6 Die ook gepoogd heeft den tem-

3 Dat wij in grooten vrede leven onder u, en dat vele loffelijke dingen aan dit volk geschieden door uw beleid, machtigste Felix, dit nemen wij altijd en overal met alle dankbaarheid aan.

4 Maar opdat ik u niet te lang ophoude, bid ik u, wil ons, naar uwe gewone goedheid, kortelijk hooren.

5 Wij hebben dezen man bevonden een pest te zijn, en dat hij tweedracht sticht onder alle Joden op den geheelen aardbodem, en een eerste voorstander van de sekte der Nazarenen is;

Hand. 21 : 28—31.

6 die ook gepoogd heeft den tem-

3 Daar wij door u grooten vrede genieten en door uw beleid vele dingen voor dit volk verbeterd worden, erkennen wij dit overal en altijd, Hoogedele Felix, met de grootste dankbaarheid.

4 Maar om u niet te lang op te houden, ik bid u ons met uw gewone welwillendheid kort aan te hooren.

5 Wij hebben bevonden dat deze man een pest is, een die onlusten verwekt onder de Joden over de geheele wereld en een voorstander is van de sekte der Nazoreërs,

6 die zelfs getracht heeft den

Sluiten